Gele Boekje

Gele Boekje internetcie

Welkom bij het Gele Boekje

1. Roei- en stuurbevoegdheden

1. Roei- en stuurbevoegdheden internetcie

Om de verschillende typen roeiboten van Daventria te mogen gebruiken, dienen de leden te beschikken over specifieke kennis en vaardigheden. De kennis over het materiaal, de commando's, het vaarreglement en de roei- en stuurvaardigheden kunnen worden opgedaan door deel te nemen aan het opleidingsprogramma van de vereniging. Het gebruik van het roeimateriaal wordt gereguleerd middels een systeem van roei- en stuurbevoegdheden. Dit systeem voorkomt, dat iemand die bij Daventria de roeisport beoefend geen veiligheidsrisico voor zichzelf, de ploeg, materiaal of omgeving is. Het examensysteem is weergegeven in het stroomschema aan het einde van dit hoofdstuk.

1.1 Roeibevoegdheden

Het examensysteem van Daventria kent de volgende roeibevoegdheden. Voor alle bevoegdheden geldt dat het examen zowel voor boord als voor scull als een aparte bevoegdheid behaald kan worden. Uitzondering daarop is de 3e klas bevoegdheid, deze kan alleen scull behaald worden. Verder kan ieder examen t/m 2e klas gehaald worden in een C-boot of in een skiff. Wordt de bevoegdheid behaald in een C-boot, dan is deze niet geldig voor glad materiaal. Omgekeerd is dat wel het geval.

3e klas roeibevoegdheid (Ax3, Cx3)

Een roeier met 3e klas bevoegdheid mag zonder toezicht roeien in de haven, in 3e klas materiaal. Deze "havenbevoegdheid roeien" wordt verkregen door de basiscursus in voldoende mate te volgen, de materiaalbijeenkomst en de bijeenkomst over veiligheid bij te wonen, ThH te hebben behaald en na de beginnerscursus een praktijkexamen met goed gevolg af te leggen.

2e klas roeibevoegdheid (Ax2, Ab2, Cx2, Cb2)

Een roeier met 2e klas bevoegdheid mag in 2e klas materiaal roeien en onder begeleiding van een ervaren roeier oefenen op de IJssel of in een ploeg meeroeien waarvan de overige bemanningsleden IJsselbevoegd zijn. Om de 2e klas roeibevoegdheid te verkrijgen, dient de roeier al te beschikken over de bevoegdheid om in de haven te roeien, Havensturen (StH) en het algemen theorieexamen (ThH) te hebben behaald. Ook voor Ax2 dient de roeier havensturen (StH) te halen. Verder dient uiteraard het praktijkexamen 2e klas roeien met goed gevolg te worden afgelegd.

IJsselbevoegdheid roeien (RIJ)

Een roeier met IJsselbevoegdheid mag zonder begeleiding op de IJssel roeien. Om de bevoegdheid te kunnen behalen moet de roeier in bezit zijn van de 2e klas bevoegdheid roeien. Daarnaast moet de roeier in het bezit zijn van het examen Theorie IJssel. Om IJsselbevoegdheid roeien te verkrijgen dient de roeier vijf keer in een skiff met goed gevolg onder begeleiding een outing op de IJssel (tenminste tot aan de Wilhelminabrug of stroomafwaarts tot de steenfabriek) te volbrengen. De roeier moet vijf handtekeningen van bevoegde begeleider(s) overleggen aan de examencommissie. Deze handtekeningen mogen enkel uitgedeeld worden wanneer tijdens de sessie minimaal de exameneisen daadwerkelijk getoetst kunnen worden (geen scheepvaart = geen handtekening).

1e klas bevoegdheid (Ax1, Ab1)

Een roeier met 1e klas bevoegdheid mag in 1e klas materiaal roeien. Hiervoor is de 2e klas bevoegdheid roeien benodigd en uiteraard het succesvol afleggen van het 1e klas examen. Voor scullen dient het examen in een gladde skiff afgelegd te worden. Voor boordroeien wordt het examen in een gladde twee zonder stuurman afgenomen.

1.2 Stuurbevoegdheden

Naast de genoemde roeibevoegdheden kent het examensysteem van Daventria ook een viertal stuurbevoegdheden.

Havenbevoegdheid sturen (StH)

De bevoegdheid om in de haven te sturen kan worden verkregen door een praktijkexamen (in een C2 of een wherry) met goed gevolg af te leggen. Daarnaast dient het eerste deel van het theorie-examen te zijn behaald.

IJsselsturen (StIJ)

De bevoegdheid om op de IJssel of vreemd water te sturen kan worden verkregen door een praktijkproef (in een C4 of een gladde 4) met goed gevolg af te leggen. De praktijkproef houdt in vijf keer met goed gevolg een outing op de IJssel sturen, dit ter beoordeling van een bevoegde begeleider. Om dit aan te tonen moet de roeier een vijftal handtekeningen van bevoegde begeleider(s) kunnen overleggen aan de examencommissie. De laatste twee handtekening dienen afkomstig te zijn van een lid met de bevoegdheid ‘4e en 5e handtekening StIJ’ De handtekeningen worden geplaatst op het examenformulier voor StIJ. Om met deze praktijkproef te mogen starten moet de stuur over havenbevoegdheid sturen beschikken en het tweede deel van het theorie examen (ThIJ) met succes hebben afgelegd. Tevens mag met deze bevoegdheid een wedstrijd gestuurd worden, met uitzondering van grote wedstrijden. Hiervoor is Sturen 1 vereist.

Boegsturen in ongestuurde boten (StRIJ2, StRIJ4)

Sturen in een ongestuurde boot is lastiger dan het lijkt. Je moet namelijk het zelfstandig roeien op de IJssel combineren met het sturen van een meermans ploeg.
Voor de dubbeltwee, tweezonder, de IJsselscout, de Daventria 125 en Overstekende Krib (C3x-boten) geldt dat de roeier die op de boegplaats wil roeien, zowel over IJsselbevoegdheid sturen (StIJ) als IJsselbevoegdheid roeien (RIJ) moet beschikken. Voor degenen die wel Ax2, maar geen RIJ hebben en in de C3x boten op boeg op de IJssel willen roeien en sturen geldt, dat ze de bevoegdheid StRIJ2 kunnen behalen. Om te slagen voor dit examen dient een roeier tenminste 3 keer succesvol als boeg mee te roeien in een ongestuurde boot met tenminste 1 bemanningslid die over deze bevoegdheid beschikt.

Om te mogen sturen in de vierzonder geldt het naast de bevoegdheid RIJ het examen StRIJ4.

Wedstrijdstuurbevoegdheid (StW)

De bevoegdheid om een grote wedstrijd te mogen sturen, kan worden verkregen door minimaal drie keer met goed gevolg een kleinere wedstrijd te hebben gestuurd. Deze wedstrijden dienen in glad materiaal te worden gestart. Als bewijs van de praktijkproef dient de stuurman een handtekening van een "ervaren" slagroeier te kunnen overleggen aan de examencommissie. Voor StW hoeft dus geen examen te worden afgelegd. Grote wedstrijden zijn op het moment van schrijven de HeinekenRoei4Kamp, Head, Novembervieren, Tromp, Spaarne Lenterace en alle boord-aan-boord wedstrijden. Het bestuur kan altijd besluiten dat dit ook voor andere wedstrijden geldt. Voor het sturen van overige wedstrijden volstaat StIJ.

1.3 Theoriebevoegdheden

Het theorie examen bestaat uit twee delen. Voor beide examens geldt dat de kandidaat enkele hoofdstukken uit het gele boekje moet kennen en een schriftelijk examen moet afleggen in het bijzijn van de examencommissie.

Algemene theorie (ThH)

Het eerste deel uit algemene kennis van de roeisport, zoals commandovoering, materiaalkennis en kennis over veilig roeien en het vaarverbod.

Theorie IJssel (ThIJ)

Het tweede deel is specifiek gericht op IJsselsturen en omvat kennis van het vaarreglement en het BPR (Binnenvaart Politie Reglement).

1.4 Bootklassen

Om tegemoet te komen aan uiteenlopende wensen inzake gebruik van het roeimateriaal waarvoor een bevoegdheid wordt nagestreefd, wordt onderscheid gemaakt naar drie bootklassen:

1e klas boten: doorgaans gladde boten: skiffs, tweeën, vieren en achten;
2e klas boten: C-boten en glad materiaal
3e klas boten: C-boten en oefenskiffs, C-tweeën en C-vieren.

2e en 3e klas bevoegdheden kunnen zowel voor C- als glad materiaal worden gehaald. Het behalen van de bevoegdheid om te roeien in C-boten geeft geen recht op dezelfde bevoegdheid in glad materiaal. Het omgekeerde geldt wel: is een bevoegdheid behaald in glad materiaal, dan mag op dat niveau wel in C-materiaal gevaren worden.

1.5 Examenvolgorde

In onderstaand schema is schematisch de volgorde van examens weergegeven. Belangrijk hierin is dat eerst de basis-examens behaald worden, resulterend in het beoogde basisniveau, wat zowel vanuit Cx2 als vanuit Ax2 behaald kan worden. Hierbij geldt dan wel dat leden die het basisniveau vanuit Cx2 behalen, zich alleen verder kunnen ontwikkelen in het C-materiaal (en niet in glad materiaal).

Als het basisniveau is bereikt zijn er drie trajecten mogelijk, te weten het boordroeien, het wedstrijdroeien of de IJssel op.

NB: St3=StH

Exameneisen

In onderstaand schema zijn de onderdelen weergegeven waaruit een examen bestaat. Staat hier een examen genoemd, dan dient dat examen reeds behaald te zijn. Staat er een Ex, dan betekent dit dat er een praktijkexamen is, de 3H en 5H houden in dat er een aantal handtekeningen behaald dienen te worden. Tot slot zijn er de praktijkopdrachten Materiaal (PO Mat), Coaching en instructie (PO CI) en Botenwagen laden (PO BoWa).

De roeier dient zelf de benodigde formulieren aan de examencommissie te overhandigen alvorens het examen te kunnen afleggen. Het is aan te raden om als kandidaat een kopie van ingevulde formulieren te maken. Examenformulieren kunnen worden gedownload van de website.

NB: St3=StH

2. Overzicht eisen bevoegdheden

2. Overzicht eisen bevoegdheden internetcie

Op basis van het systeem van bevoegdheden voor roeien en sturen (zie vorige hoofdstuk) werken we in dit hoofdstuk uit welke eisen verbonden zijn aan de onderscheiden bevoegdheden en welke doelen daarmee bereikt worden. Uitgangspunt bij alle examens is dat je nieuwe ‘privileges’ krijgt en dat getoetst wordt of je veilig met deze privileges om kunt gaan, waarbij veilig gedefinieerd wordt als geen risico voor jezelf, je ploeg, je materiaal en je omgeving. We hanteren daarbij dezelfde volgorde als in het vorige hoofdstuk.

2.1  3e klas bevoegdheid (Ax3,Cx3)

De 3e klas bevoegdheid beoogt de volgende doelen:

  • Veiligheid voor jezelf en anderen
  • Veilig en verantwoord omgaan met het materiaal
  • Basiskennis van het materiaal
  • Blessurevrij roeien

In de praktijk leidt het nastreven van deze doelen tot de volgende vereisten:

  • Netjes omgaan met het materiaal:
    • boot en riemen correct naar binnen en buiten brengen;
    • verkeersregels kennen en volgen (stuurboordwal houden);
    • correct in- en uitstappen (niet leunen op de riggers, voeten op toegestane plaatsen);
    • veilig wegkomen van het vlot en correct aanleggen.
  • Zodanig roeien dat de gewenste roeibeweging in basis aanwezig is (benen, rug meenemen, armen, wegstrekken armen, oprijden). Belangrijk hierbij is dat je blessurevrij kunt roeien.
  • Strijken met twee riemen.
  • Rondmaken door afwisselend te strijken en te halen.
  • Noodstop maken.
  • Regelmatig omkijken en daarop aangepast reageren.
  • Commando’s van stuur/coach/iemand op de wal kunnen opvolgen.
  • Kunnen manoeuvreren tussen boten (niet in de weg liggen).
  • Zichtbaarheid borgen.
  • Enigszins gelijk roeien (C-boot) of in ritme roeien (in skiff).

2.2 2e klas bevoegdheid (Ax2,Cx2,Cb2,Ab2)

De 2e klas bevoegdheid beoogt het volgende doel:

  • Zodanig effectief en veilig roeien dat de roeier onder begeleiding op de IJssel kan gaan varen.

In de praktijk leidt het nastreven van dit doel tot de volgende vereisten (naast alle eisen van voorgaande examens):

  • Gelijkmatig en koersvast roeien.
  • Roeien in het juiste ritme: dus de haal is korter van duur dan de recover. In een ploeg ook gelijk roeien met de slag, zowel qua in/uitzet als bewegingsvolgorde.
  • Roeien in de goede bewegingsvolgorde tijdens de haal en het oprijden:
    • duwen met de benen
    • meenemen van de rug
    • meenemen van de armen
    • wegstrekken van de armen
    • inbuigen van de rug, en
    • oprijden
  • Polsen recht houden (bladvoering door het water).
  • Zowel halend als strijkend aanleggen, rekening houdend met wind en stroom.
  • Juiste blad- en hendelvoering (ontspannen boven water).
  • Onder redelijke weersomstandigheden redelijk watervrij roeien (balans niet ontlenen aan slifferen).
  • Voetenbord correct afstellen, buiten de vlotdrukte.
  • Voldoende snelheid maken.
  • Manoeuvreren en omgaan met onverwachte situaties.
  • Kleding (bv een extra shirt of turtle) aan of uit kunnen trekken op het water.
  • Met de buitenhand trekken en binnenhand draaien (bij boordroeien).

2.3  IJsselbevoegdheid roeien (RIJ)

De IJsselbevoegdheid roeien beoogt het volgende doel:

  • Veilig roeien op de IJssel zodat het kans op ongelukken en schade zoveel mogelijk gereduceerd wordt.

Voor IJsselbevoegdheid roeien gelden de volgende praktijkeisen:

  • Veilig omgaan met wind, stroom, golven, scheepvaart.
  • Bootbeheersing op de IJssel, rekening houdend met omstandigheden.
  • Redelijke mate van voortstuwing tonen (voldoende om zich in ongunstige omstandigheden in veiligheid te kunnen brengen).
  • Tenminste gedurende 1 km kunnen kribbebijten en 1 km hard kunnen roeien (dit dient bij elke outing getoond te worden).

Ter verkrijging van deze bevoegdheid dient de roeier vijf keer met goed gevolg onder begeleiding van een roeier in bezit van IJsselbevoegdheid roeien een outing op de IJssel te volbrengen in een skiff (stroomopwaarts tenminste tot aan de Wilhelminabrug of stroomafwaarts tot aan de steenfabriek). De roeier moet vijf handtekeningen van begeleider(s) overleggen aan de examencommissie.  De laatste handtekening dient afkomstig te zijn van een lid van de examencommissie of van een lid met de bevoegdheid ‘5e handtekening IJsselroeien’. Gedurende de outing heeft de roeier te maken gehad met tenminste scheepvaart en enige mate van stroming, wind en/of golfslag. Voordat de roeier de IJsselbevoegdheid roeien verkrijgt moet hij/zij in het examen Theorie IJssel met succes hebben afgelegd.

2.4  1e klas bevoegdheid (Ax1,Ab1)

De 1e klas bevoegdheid scullen of boorden beoogt het volgende doel:

  • Zodanig effectief en veilig roeien dat de roeier zelfstandig een wedstrijd kan starten en met zeer gevoelige boten overweg kan.

Voor de 1e klas bevoegdheid gelden de volgende praktijkeisen (naast de eisen van alle voorgaande examens). Hierbij moet opgemerkt worden dat de roeistijl van een roeier minder relevant is, mits de roeier effectief, blessurevrij, hard en zonder schade voor het materiaal kan roeien. Dit houdt het volgende in:

  • De roeier mag geen essentiële roeifouten meer laten zien.
  • De boot moet goed in balans recht door het water gaan, weinig dompen.

Bovenstaande eisen zijn geconcretiseerd door:

  • Lichaamswerk
  • Lichaamscoördinatie
  • Haalvolgorde benen-rug-armen
  • Niet door bankje trappen
  • Geen kromme armen
  • Snelle actieve wegzet
  • Doorgaande beweging/niet stilzitten
  • Rustig oprijden
  • Water naderen, niet vlinderen
  • Gelijke inpik
  • Gelijkmatige haal
  • Niet diepen (alleen blad in het water)
  • Niet uitlopen, niet narukken
  • Watervrij roeien
  • De roeier moet gedurende een langer stuk minimaal tempo 24 kunnen roeien, zonder dat de techniek hier onder lijdt. En, afhankelijk van de weersomstandigheden, tot tempo 25 en tempo 26 kunnen versnellen.
  • De roeier moet tijdens het roeien met een krachtige haal kunnen sturen en omkijken zonder de roeibeweging te verstoren. Concreet: vanaf de zuidelijke kant van de jachthaven tot ruim 100m voorbij het botenhuis.

2.5  Havenbevoegdheid sturen (StH)

De havenbevoegheid sturen beoogt de volgende doelen:

  • Veiligheid voor jezelf, je ploeg en de omgeving.
  • Veilig en verantwoord omgaan met het materiaal.
  • Basiskennis van het materiaal.

Voor de havenbevoegdheid sturen gelden de volgende praktijkeisen:

  • Kennis van het afschrijvings- en schademeldsysteem.
  • Kennis, beheersen en hanteren van de juiste commando’s.
  • Tijdens het in en uitstappen (en tillen van de boot).
  • Tijdens het sturen zelf.
  • Autoriteit over de ploeg.
  • Manoeuvreren over de Hank.
  • Correct wegvaren en aanleggen van het vlot.

2.6  IJsselbevoegdheid sturen (StIJ)

De bevoegdheid IJsselsturen beoogt de volgende doelen:

  • Veiligheid voor jezelf, je ploeg en de omgeving, ook op vreemd water.
  • Volgens de verkeersregels een ploeg over de IJssel en/of vreemd water te sturen.
  • Autoriteit over de ploeg.

Voor de bevoegdheid IJsselsturen gelden de volgende praktijkeisen (naast die van alle voorgaande examens):

  • Gebruik van zwemvest.
  • Adequaat omgaan met stroom, wind en golven.
  • Vaardigheid en inzicht in het omgaan met overige scheepvaart.
  • Vaardigheid in het op de juiste wijze toepassen van de reglementen BPR.
  • Vaardigheid in het juist en duidelijk toepassen van de commando's.
  • Het correct inzetten van oefeningen.
  • Autoriteit over de ploeg.
  • Met zowel C als glad materiaal overweg kunnen.
  • Kunnen manoeuvreren in vreemde situaties.

Om StIJ bevoegdheid te verkrijgen dient de kandidaat vijf keer met goed gevolg een outing op de IJssel te sturen, dit ter beoordeling van een ervaren slagroeier. Als bewijs daarvan dient de roeier een vijftal handtekeningen van de begeleider(s) te  overleggen aan de examencommissie. De laatste handtekening dient afkomstig te zijn van een zogenaamd 4e en 5e handtekening bevoegde. Om met deze praktijkproef te mogen starten moet de roeier het Theorie examen IJssel (Th IJ) met succes te hebben afgelegd.

Het examen dient bij een bevoegde ploeg onder representatieve omstandigheden afgelegd te worden. Daar gelden de volgende eisen voor:

  • De te sturen ploeg dient een ervaren Daventria-bemanning te hebben, die allen in het bezit zijn van de bevoegdheid StIJ.
  • Het te sturen traject betreft tenminste ofwel stroomopwaarts heen en weer naar de Wilhelminabrug ofwel stroomafwaarts naar de "steenfabriek".
  • Gedurende de outing heeft de stuur te maken gehad met tenminste scheepvaart en enige mate van stroming, wind en/of golfslag.

De handtekeningen worden geplaatst op het Examenformulier StIJ.

2.7  Boegsturen in een ongestuurde boot (StRIJ2/StRIJ4)

Het op boeg roeien in een ongestuurde of voetgestuurde boot vereist dat je de eisen van het roeien en sturen op de IJssel kunt combineren.

Voor het roeien op boeg op de IJssel in de dubbeltwee, tweezonder, de IJsselscout en de C3x boten, ( Daventria 125 en de Overstekende Krib) en geldt, dat je de bevoegdheid IJsselbevoegdheid Sturen (STIJ) en IJsselbevoegdheid Roeien (RIJ) moet bezitten. Voor degenen die in een C3x op de IJssel op boeg willen roeien en sturen en wel Ax2 hebben, maar niet over RIJ beschikken, geldt dat ze in plaats daarvan STRIJ2 kunnen behalen. Deze bevoegdheid kan worden verkregen door een examen af te leggen (3 outings onder begeleiding van een ervaren ploeg, aangetoond door handtekeningen van je begeleiders).

De volgende vaardigheden worden getoetst:

  • Handig verdelen van taken over de ploeg (sturen, commandovoering, coaching en oefeningen aangeven)
  • Volledige controle over de boot (de ploeg voelt zich veilig en jij bent de baas aan boord)

Voor de 4 zonder (4x-) geldt dat de roeier, naast RIJ, het examen StRIJ4 moet doen, op dezelfde manier te verkrijgen als STRIJ2, zie boven.

2.8  Wedstrijdstuurbevoegdheid (StW)

De bevoegdheid Wedstrijdsturen beoogt een ploeg tijdens een wedstrijd op vreemd water veilig te kunnen sturen. Deze bevoegdheid is vereist voor het mogen sturen van grote wedstrijden (zie paragraaf 1.2). Dit zal het geval zijn op een bochtig, eventueel stromend, parcours waar veel boten tegelijk starten. Een "wedstrijdstuur" wordt geacht bekend te zijn met de diverse wedstrijdprocedures (o.a. start, protest tijdens de wedstrijd). Deze bevoegdheid is alleen te verkrijgen door bij wedstrijdploegen meerdere malen met goed gevolg te sturen op drie kleinere wedstrijden. Of de kwaliteit voldoende is wordt bepaald door de examencommissie in overleg met de "ervaren" slagroeier van de betreffende wedstrijdploeg.

2.9  Algemene theorie (ThH)

Het theorie deel 1 examen beoogt de volgende doelen:

  • Roeier bekend maken met de roeisport (weten wat je doet)
  • Kennismaken met regels bij Daventria
  • Benodigde kennis voor sturen op de Hank opdoen

Voor het theorie examen deel 1 gelden de volgende praktijkeisen:

  • Basis materiaalkennis (hoofdstuk 3, materiaal)
  • De commando's beheersen (hoofdstuk 5, stuurtechniek uitgezonderd paragraaf 5.4.3 t/m 5.4.6)
  • Kennis van veilig roeien en het vaarverbod (hoofdstuk 7, veiligheid uitgezonderd paragraaf 7.1)
  • Weten hoe aan te leggen (hoofdstuk 5, stuurtechniek uitgezonderd paragraaf 5.4.3 t/m 5.4.6)

2.10  Theorie IJssel (ThIJ)

Het theorie deel 2 examen beoogt de volgende doelen:

  • Roeier bekend maken met de verkeersregels op het water
  • Roeier bekend maken met het BPR (Binnenvaart Politie Reglement)
  • Roeier voorbereiden op het sturen en roeien op de IJssel

Voor het theorie examen deel 2 gelden de volgende praktijkeisen:

  • Kennis van het roeien en sturen op de IJssel (hoofdstuk 5, stuurtechniek paragraaf 5.4.3 t/m 5.4.6)
  • Kennis van het BPR (zie wetten.overheid.nl)

Deze kennis wordt getest met een schriftelijk theorie-examen. De leden van de examencommissie mogen ook tijdens praktijkexamens nog aanvullende toelichting aan de roeiers vragen.

2.11 Praktijkopdrachten

Praktijkopdracht Materiaal (PO Mat)

  • Bijwonen informatie-avond door de MatCie

Praktijkopdracht Botenwagen (PO BoWa)

  • Meehelpen met het op- en afladen van de botenwagen

Praktijkopdracht coaching/instructie (PO CI)

  • Instructie of coaching, bijvoorbeeld bij de beginnerscursus

2.12  Overige regels en uitzonderingen

C1X-

Een C1X- is een C-boot waarin zonder stuur geroeid wordt. Voor deze boten is de Cx3 bevoegdheid voldoende.
Bij een lage watertemperatuur mag in deze boten geroeid worden zonder dat daarvoor dispensatie is aangevraagd. Hiervoor is echter minimaal de Ax2 bevoegdheid nodig.

Oefenen voor een hogere bevoegdheid

Voor elk van bovengenoemde categorieën geldt in beginsel dat een met goed gevolg examen recht geeft om te oefenen voor een hoger examen in hetzelfde boottype. Dus: iemand met 3e klas roeien in een C2 of C4, kan oefenen voor het 2e klas examen in een C2 of C4, maar niet in een gladde 2. Voor dat laatste is 3e klas roeien in een skiff vereist.

Tijdens de beginnerscursus wordt van deze regel afgeweken, omdat er niet voldoende oefenboten zijn. Na het behalen van de 3e klas bevoegdheid moet in de oefenboten geoefend worden voor het 2e klas examen.

Oefenen in een hoger boottype

Indien eenmaal een bepaalde bevoegdheid is behaald, mag uitsluitend na toestemming van het bestuur worden geoefend in roeimateriaal waarvoor een hogere bevoegdheid is vereist. Dus: een 2e klas roeier mag met toestemming van het bestuur oefenen in een 1e klas boot. IJsselbevoegdheid roeien / sturen (afhankelijk van C- of gladmateriaal) van de meerderheid van de bemanning is dan vereist zodra op de IJssel wordt geoefend.

Beperkt bevoegdheid bootbemanning: de helft plus een

Als slechts een deel van de bootbemanning voldoende is gekwalificeerd voor het roeien in een bepaalde boot, geldt als regel dat minstens de helft plus één bevoegd dient te zijn tot het roeien in die boot.
Bijvoorbeeld: als een ploeg op de IJssel oefent, moeten tenminste de stuurman en de boeg en een tweede roeier beschikken over IJsselbevoegdheid sturen. Bovendien moet er voldoende lichamelijke kracht aan boord zijn om de boot in noodsituaties te kunnen beheersen. Een ander voorbeeld: een ploeg mag in een 1e klas gladde vier oefenen, op voorwaarde dat minstens drie roeiers 1e klas bevoegdheid hebben.

In geval van een dubbeltwee (2x-) in combinatie met roeien op de IJssel is de bovenstaande regel mbt "de helft plus een" niet toepasbaar. In deze specifieke situatie geldt de regel dat de boeg over minimiaal 2e klas skiffbevoegdheid (Ax2), IJsselbevoegdheid roeien (RIJ) en voldoende kracht moet beschikken terwijl de slag minimaal 2e klas skiffbevoegdheid (Ax2) moet hebben, IJsselbevoegdheid sturen (StIJ, voor gestuurde boten) en over voldoende kracht beschikt om op de IJssel goed te kunnen roeien. Dit laatste ter beoordeling van de bevoegde boeg ("check voor vertrek") en in geval van twijfel dus niet de IJssel op gaan.

In geval van tweezonder (boordtwee / 2-) geldt de regel dat beide roeiers moeten beschikken over 1e klas boordbevoegdheid (Ab1) in plaats van 2e klas skiffbevoegdheid (Ax2). De overige regels van de dubbeltwee zijn ook van toepassing op een tweezonder.

In geval van een gestuurde C3 (C3x+) in combinatie met roeien op de IJssel is de bovenstaande regel mbt "de helft plus een" door het even aantal roeiers lastiger toepasbaar. In deze specifieke situatie geldt de regel dat de stuur & boeg over minimiaal 2e klas C-bevoegdheid (Cx2), IJsselbevoegdheid sturen (StIJ) en voldoende kracht moeten beschikken terwijl de slag & 3e roeier minimaal 2e klas C-bevoegdheid (Cx2) moet hebben en over voldoende kracht beschikken om op de IJssel goed te kunnen roeien. Dit laatste ter beoordeling van de bevoegde stuur & boeg ("check voor vertrek") en in geval van twijfel dus niet de IJssel op gaan. In geval van een stuur in opleiding verschuift de roeibevoegdheid naar de roeier op slag

Vierzonder

Voor het sturen van een 4- (scull of boord geriggerd) worden specifieke eisen gesteld die samenhangen met de complexiteit van gelijktijdig roeien en met de voet sturen.

Gestelde eisen:

  • Ax1 (1e klas skiff) dan wel IJ (IJsselbevoegdheid roeien)
  • tijdens het roeien ongehinderd en hoogfrequent (elke 5 halen) omkijken, en zo nodig met het voetstuur de koers adequaat aanpassen.
  • adequaat commando's geven.
  • de situatie op het water steeds goed en met voldoende aandacht voor veiligheid van bemanning, boot en andere boten inschatten.

Analoog aan de gang van zaken bij StW wordt de mate waarin kandidaten voldoen aan bovengenoemde eisen, in de praktijk getoetst door een kandidaat ten minste drie keer op boeg mee te laten varen. Alleen indien de examencommissie akkoord is, wordt de naam van de kandidaat toegevoegd aan de lijst gemachtigden sturen 4x-. Als voorbereiding op de praktijktoetsing in de 4x- wordt gesuggereerd om een aantal keren te oefenen als boeg in de C3x-.

Wedstrijdmateriaal

Voor het roeien in wedstrijdboten is toestemming vereist van het bestuur.

Registratie bevoegdheden

Met goed gevolg afgelegde examens voor roeien en sturen worden als volgt geregistreerd.

  • iedereen moet de examens in de volgorde van het stappenplan doorlopen;
  • de examencommissie houdt in een door haar te beheren examenadministratie de resultaten bij van examens voor roeien en sturen;
  • periodiek geeft de examencommissie nieuw behaalde bevoegdheden door aan de ledenadministratie.

3. Materiaal

3. Materiaal internetcie

3.1 Boottypen bij Daventria

Het materiaal dat we in de roeisport kennen is in de loop der jaren ontwikkeld via overnaads gebouwde houten schepen met vaste banken en dollen op de boorden tot snelle en slanke kunststof wedstrijdboten. Als eerste is omstreeks 1870 bijvoorbeeld het rolbankje geïntroduceerd. Pas later kwamen de riggers die het mogelijk maken om de boot smaller en de riemen langer te maken en daarbij de afstand tussen roeier en dol te optimaliseren. Ook de bladvorm van de riemen is geëvolueerd van lange smalle naar korte en brede bladen. Om een eerlijke competitie te houden zijn er minimale gewichten vastgesteld per boottype. Daarom zien we tegenwoordig innovaties waarbij het gewicht anders verdeeld wordt, bijvoorbeeld de introductie van vleugelriggers die het mogelijk maken om spanten minder zwaar uit te voeren, of zelfs geheel weg te laten. Daarnaast zie je regelmatig introducties van nieuwe rompvormen, geoptimaliseerd voor snelheid dan wel stabiliteit, wendbaarheid, etc. Van recenter datum zijn de zgn. backwing vleugelriggers, waardoor je je voetenbord makkelijker kunt afstellen (de voeten zitten niet onder de rigger). De meeste skiffs worden momenteel met backwings geleverd. Veelal zijn de riggers van aluminium, soms ook carbon. In de verenigingsvloot hebben wij geen carbonriggers vanwege hoge kosten en de gevoeligheid voor schade.

De roeiboten die momenteel bij Daventria in gebruik zijn staan in een overzicht op de website.

De boten zijn als volgt in te delen:

  • Naar de manier waarop er in wordt geroeid, namelijk:
    • boordroeien: de roeier hanteert één riem
    • scullen: de roeier hanteert twee riemen; dit wordt aangeduid met een “x”
  • Naar de manier van sturen, namelijk:
    • met stuurman: een stuurman achterin de boot die het roer bedient.
      In verband met de veiligheid bij roeien op de IJssel verdient dit de voorkeur boven boten met een liggende stuur vóór in de boot ; Een boottype met stuurman is te herkennen aan een “+” in de typeaanduiding (bijvoorbeeld 4+) of een “*” als samenvoeging van “x” en “+” (4x+ = 4*).
    • zonder stuurman:
      • met roer waarbij één van de roeiers het roer met een voet bedient.
        Dit is de normale uitvoering bij boordroeien zonder stuurman, te herkennen aan een “-“ in de typeaanduiding (bijvoorbeeld 4-).
      • zonder roer waarbij uitsluitend met de riemen wordt gestuurd.
        Dit is de normale uitvoering bij het scullen, waarbij de “-“ wordt weggelaten (bijvoorbeeld 2x).
    • Naar de manier waarop de huid van de boot is vervaardigd, namelijk:
      • kunststof
      • hout
    • Naar boottype, te weten:
      • C-boten
      • Wherry’s
      • Gladde boten (d.w.z. zonder kiel).

3.1.1 C-boten

C-boten zijn schepen met een multiplex of een kunststof huid van circa 2 à 3 millimeter dikte. Ze zijn meestal aan de bovenzijde open en hebben een buitenkiel.

Bij Daventria beschikken we over:

Scull boten
C-één (of C-skiff) C1x
C-dubbeltwee met stuurman C2x+
C-dubbeldrie zonder stuurman C3x-
C-dubbeldrie met stuurman C3x+
C-dubbelvier met stuurman C4x+
Boordboten
C-twee met stuurman C2+
C-vier met stuurman C4+

C-materiaal is uitermate geschikt voor het geven van instructie, voor toertochten en recreatief roeien in het algemeen. Ook marathons worden i.h.a. geroeid in C-materiaal, evenals sommige wedstrijden. De KNRB spreekt daarbij over “Roeiontmoetingen met wedstrijdkarakter”.

3.1.2 Wherry's

Wherry's zijn stevige, brede, open toerboten, ingericht voor scullen met een of twee stuurplaatsen. Daventria heeft twee wherry’s en een “Scout” die we voor het gemak ook in dezelfde categorie plaatsen. De IJsselscout kan als gestuurde wherry worden gebruikt (1 roeier, 1 stuur) of als ongestuurde 2.

3.1.3 Gladde boten

De scull boten zijn:

Scullboten
Skiff 1x
Dubbeltwee (zonder stuurman) 2x
Viermet (stuurman) 4x+
Vierzonder (zonder stuurman) 4x-
Boordboten
Tweezonder (zonder stuurman) 2-
Viermet (met stuurman) 4+
Vierzonder (zonder stuurman) 4-
Acht (met stuurman) 8+

De nieuwere tweetjes en vieren in onze vloot zijn “convertible” dankzij een dubbele set riggers. Dat betekent dat zij zowel op boord als op scull kunnen worden geriggerd. Afhankelijk van het verwachte gebruik hebben wij standaardriggering (sommige boten staan standaard op scull, andere standaard op boord); naar behoefte kan dit worden bijgesteld na overleg met de materiaalcommissaris.

Voor de tweetjes geldt dat het voetenstuur alleen wordt gemonteerd bij boordriggering (tweezonder), bij scullriggering (dubbeltwee) wordt het voetenstuur (indien aanwezig) om veiligheidsredenen in principe niet gebruikt.In bijzondere gevallen (bv bij wedstrijd op zeer bochtig parcours) kan het stuurtje gangbaar worden gemaakt na een verzoek aan de materiaalcommissaris.

3.2 Onderdelen van de roeiboot


3.2.1 Huid

Boten waren voorheen vervaardigd uit één laag dun ceder- of multiplex. Een dergelijke huid is bijzonder kwetsbaar, zodat aan de binnenzijde een versterking door middel van huidspantjes nodig is. Tegenwoordig gebruikt men kunststof of een op de vorm verlijmde huid. Bij dit laatste type huid worden de verschillende, zeer dunne huidlagen in of rond een mal in de uiteindelijke vorm van de boot op elkaar gelijmd. De huid van een wedstrijdskiff is circa 1 mm dik, die van een vier of acht circa 2,5 à 3 mm.

3.2.2 Binnenwerk

In de lengterichting van C-boten lopen drie hoofdbalken: onder in het midden (= kiel) en aan weerszijden de gundels. Deze drie lengteverbindingen komen in de voor- en achtersteven (ook wel boeg en hek genoemd) samen. Het geheel bevordert de stijfheid in de lengterichting van de boot. De stijfheid wordt verder vergroot door de boorden, dit zijn de latten bovenop de boordranden. De boorden komen bij voor- en achtersteven samen in voor- en achterplecht.

Loodrecht op de kiel vormen de spanten de verbinding tussen de kiel, de gundels en de boorden. De gundels zijn onderling door de binten verbonden. De spanten en binten geven de boot stijfheid in dwarsrichting. De zwaardere hoofdspanten dienen tevens om de metalen riggers stevig te kunnen bevestigen. In de lengterichting van de boot over de binten loopt soms nog het lijfhout waarop het voetenbord is bevestigd.

De diagonalen vormen een ander verband waardoor de boot niet in de lengterichting kan torderen. Vooral bij boordroeiboten is dit van groot belang, omdat er grote asymmetrische krachten op de boot werken. De stijfheid van een boot bepaalt in belangrijke mate de kwaliteit van de boot (minder wrijvingsverlies, directe overbrenging van kracht).

De stuurplaats bestaat in wherry's en C-boten vaak uit een echte stuurstoel met zitbankje en rugleuning. Bij de wedstrijdboten heeft de stuurplaats een vast bankje of zitje, terwijl er voor de voeten een lichte buikdenning of een voetenbord is aangebracht.

Bij gladde boten zijn voor- en achterdek van dezelfde kunststof als waarvan ook de romp is gemaakt. In het voor- en achterschip bevinden zich openingen met kurk of ronde kunststof deksels voor de ontluchting. Deze dienen tijdens het varen altijd te zijn gesloten, terwijl deze in de loods ter ontluchting en droging van het inwendige open moeten zijn.

3.2.3 Kiel en roer

Onder boten zonder een uitwendige kiel is aan de achterzijde een metalen kieltje of vinnetje aangebracht. Bij kunststofboten is deze ook wel aangegoten. Het vinnetje zorgt voor de koersvastheid van de boot.

Het roer van de boot bevindt zich onder de boot (wedstrijdboten, doorgestoken roer) of aan de achtersteven bij wherry's en C-boten (ook wel de spiegel genoemd; aangehangen roer). Het roer wordt door middel van stuurtouwtjes bediend. Deze zijn bevestigd aan het roerjuk en het roer draait om de roerpen.

3.2.4 Riggers

Van riggers zijn er vele typen in omloop. De metalen buisconstructie dient zodanig te zijn vervaardigd, dat er ondanks de krachten die er tijdens de haal op worden uitgeoefend, geen verandering in de stand van de dol optreedt. De dollen draaien om een as, de dolpen. Dollen voor sculls zijn kleiner dan die voor boordroeien, omdat scullriemen dunner zijn. Aan de bovenkant van de dollen zit een klepje met een moer om deze dicht te borgen, deze klep wordt ook wel overslag genoemd. Hierdoor kan de riem niet uit de dol schieten.

Bij boordriggers loopt er vaak een drukstang van de bovenkant van de dolpen naar het boord om de dolpen tijdens de haal beter op zijn plaats te houden. De stang die bij het voetenbord op het boord is bevestigd, noemt men de trekstang, de stang loodrecht op het boord de hoofdstang.

Vooral bij boordroeiboten die voor wedstrijden worden gebruikt, komt het voor dat de riggers op verschillende plaatsen aan de boot kunnen worden bevestigd. Als riggers tijdelijk van de boot verwijderd worden, bijvoorbeeld in verband met transport naar een toertocht of wedstrijd, dan is het dus zaak om hierop te letten zodat de riggers in dezelfde positie teruggeplaatst worden. Om dit te vergemakkelijken zijn de riggers gemarkeerd met groene (stuurboord) of rode (bakboord) tape; het aantal tapejes duidt op de positie in de boot (1=boeg, 2, 4 of 8=slag). Let ook op de drukstangen; deze dienen voor transport verwijderd te worden van de riggers (door de topmoer los te draaien).

3.2.5 Riemen

De riemen worden onderscheiden in sculls, voor roeien met twee riemen, en boordriemen (ook wel boordpalen genoemd) voor roeien met één riem. Scullriemen zijn ongeveer 2.90 m lang, boordriemen ongeveer 3,75 m.

De opbouw van de riemen is in beginsel gelijk. Vroeger waren de riemen van hout. Tegenwoordig worden er alleen nog maar kunststofriemen aangeschaft; de boordpalen hebben soms nog wel een houten handvat.

Om onderscheid te maken tussen bakboord- en stuurboordriemen zijn de bakboordriemen  voorzien van een rood, en de stuurboordriemen van een groen bandje ter hoogte van het blad. De bladen van de riemen bij Daventria zijn in de verenigingskleuren geel en zwart geschilderd, waarbij het geel de bovenste helft en het zwart de onderkant van het blad beslaat.

Tegenwoordig wordt voor het roeien in glad materiaal voornamelijk gebruik gemaakt van ‘big blades’ of smoothies. Dit zijn riemen die een iets kortere steel en een breder blad hebben. De bladen van dit soort riemen zijn – anders dan bij Maconbladen – onder een hoek aan de steel gezet, waardoor alleen het blad water pakt en de steel niet. De kortere steel geeft minder windvang en minder ‘zwiep’.

3.2.6 Riemenplein

In 2022 hebben wij voor scullriemen van 1e klas materiaal een zgn. riemenplein ingevoerd, de betreffende riemen hangen in het riemenrek in het middenpad. Dit betekent dat je voor elke 1e klas boot zelf bepaalt met welke riemen je roeit. Als jouw favoriete maat niet meer in het rek hangt, probeer dan eens een andere. De riemen zijn als volgt gemarkeerd op lengte (en dus zwaarte, de binnenhandle is steeds 89 cm):

  • XL (dubbele witte band): 288 cm
  • L (blauwe band): 287 cm
  • M (gele band): 286 cm
  • S (witte band): 285 cm;

De verhouding XL/L/M/S is gebaseerd op het verwachte gebruik. De afstelcommissie volgt dit gebruik en stelt zonodig de verhouding bij. NB het is niet toegestaan zelf aan de riemen te sleutelen.

De riemen zijn hierdoor onafhankelijk van de boten waar ze voor zijn gekocht; de bootnamen op de riemen zijn dan ook vervangen door een code (volgnummer, jaar van aanschaf, BB/SB), de kleurcodering rood (bakboord) en groen (stuurboord) blijft uiteraard behouden. Voor nieuwe boten blijven we riemen aanschaffen, deze worden i.h.a. opgenomen in het riemenplein en vanuit het riemenplan worden dan riemen doorgeschoven naar 2e klas.

Het riemenplein geldt (vooralsnog) niet voor 2e en 3e klas boten, deze houden dus gewoon hun eigen riemen. Het is niet de bedoeling dat voor deze boten riemen uit het riemenplein worden gepakt, omgekeerd ook niet.

Einde 2023 is ook voor boordpalen van gladde boten (achten, vieren, tweetjes) een riemenplein ingevoerd, in 3 zwaartes van elk 8 palen (de totale lengte van alle boordpalen is steeds ca. 374 cm):

  • Licht: binnenhandle 118 cm (witte band)
  • Middel: binnenhandle 117 cm (gele band)
  • Zwaar: binnenhandle 116 cm (blauwe band)

Opmerking 1: 8 palen uit het riemenplein hebben kunststof handles, de andere 16 hout.
Opmerking 2: het C-materiaal houdt de eigen palen.

Om het riemenplein en daarmee de uitwisselbaarheid van riemen in de verschillende boten mogelijk te maken zijn alle bladhoeken van riemen uit het riemenplein op 0 graden ingesteld. De dolhoek staat standaard op ca. 4 graden. Hierdoor is een goede inpik mogelijk zonder diepen (dolhoek te klein) of over het water slaan (dolhoek te groot).

3.2.7 Bankjes en slidings

Bij elke roeiplaats zijn op de binten (de verbindingen tussen de langsspanten) de slidings bevestigd, waarover het rolbankje kan rijden. Aan de uiteinden van de slidings zitten de zogenoemde ‘stops’ die ervoor zorgen dat het bankje niet van de slidings afrijdt. De bankklemmen aan de onderzijde van het bankje zorgen ervoor dat het bankje aan de slidings blijft hangen als de boot ondersteboven wordt gekeerd. Let op: niet alle bankjes hebben bankklemmen. Tussen de slidings bevindt zich het opstapplankje. Dit is, met het voetenbord, de enige plaats in de boot waarop je je voeten neer kunt zetten. Tussen de kiel en de binten zijn pilaartjes geplaatst om de binten en de gundels bij het instappen niet te zwaar te belasten.

Onze wherry’s (Welgelegen en IJsselcadans) hebben zogenaamde buikdenningen waardoor het instappen makkelijker is. Dit zijn bodemplaten die het gewicht van de in- en uitstappende roeiers kunnen dragen.

3.2.8 Voetenbord

Het voetenbord is op de gundels of het lijfhout (= langslat onder de boord­rand) en de kiel bevestigd en in de lengterichting van de boot verstelbaar; bij gladde boten is het voetenbord bevestigd op het zgn. emplacement (dit is de vlakke plaat tussen de beide boorden, waar ook de slidings op zijn bevestigd). De voeten steunen op plankjes met hielsteunen en worden met behulp van riempjes op hun plaats gehouden. C-boten en de meeste 2e en 3e klas gladde boten hebben zgn. flexheels waar je je voeten (met je eigen schoenen aan) in zet, het gladde wedstrijdmateriaal heeft vaste schoenen op het voetenbord. Aan de schoenen zijn zgn. heelstrings bevestigd, die zijn bedoeld voor veiligheid. Deze zorgen er namelijk voor dat je voeten uit de schoenen worden getrokken als je omslaat. De heelstrings dienen daarom heel te zijn, goed vast te zitten en niet langer te zijn dan ca. 7 cm. Let hierop voor je instapt! Bij wedstrijden wordt hier altijd streng op gecontroleerd.

3.2.9 Overige voorzieningen

Alleen op wherry's mogen vlaggen worden gevoerd. Voorop hoort het verenigingsvlaggetje, achterop de nationale driekleur. C-materiaal wordt bij tochten in het buitenland achterop vaak voorzien van een Nederlandse vlag.

Tot de inventaris van wherry's behoort ook een pikhaak: een stok met een haak om de boot af te houden of juist aan te halen. Verder hoort bij de voor- en achtersteven een touw aanwezig te zijn, het landvast, om te kunnen afmeren.

Gladde boten moeten op de voorsteven een witte beschermbal of boegbal voeren met een diameter van tenminste vier centimeter, ter bescherming bij aanvaringen. Zorg, om nare ongelukken te voorkomen, dat deze intact is en goed vast zit. Bij wedstrijden wordt de boegbal tevens gebruikt om bij de start de deelnemende ploegen op één lijn te leggen en om bij de finish de doorkomst te registreren. De boegbal wordt altijd gecontroleerd bij wedstrijden.

3.3 Omgaan met materiaal

Met het zeer kostbare materiaal van onze vereniging moet zorgvuldig worden omgegaan. Hieronder volgt een indicatie van de nieuwprijzen van onze boten (in de verschillende klassen) en riemen (prijspeil 2024):

Boottype Klasse Prijs incl. BTW (nieuw) €
Skiff 1 12.000
  2 6.000
  3 5.000
2x/2- 1 - 2 20.000
4x/4+ 1 - 2 31.000
8+ 1 44.000
C2x/C2+/C3 2 17.000
C4x/C4+ 2 21.000*
C1x/C1+ 3 8.000
Wherry 3 15.000
Sculls   700
Boordpaal   450, skinnies: 600

* Prijs Wiersma. Swift is goedkoper, nl. ca. € 17.000.

In hoofdstuk 5 (Stuurtechniek) staan richtlijnen voor het juiste gebruik van het materiaal met als belangrijkste doel schade te voorkomen.

De meeste schade aan het materiaal ontstaat bij het in- en uitbrengen van de boten en bij het aankomen en wegvaren bij het vlot. Het beheerst uitvoeren van deze activiteiten is daarom minstens zo belangrijk als de beheersing van de roeitechniek.

3.3.1 Afstellen

Bij de afstelling van onze boten is het van belang onderscheid te maken in:

  1. Afstellen: specialistisch werk, wordt gedaan door of onder begeleiding van de afstelcommissie. Er geldt een verenigingsstandaard.
  2. Instellen: dit doe je als roeier zelf, afhankelijk van je wensen.

Ad 1. Afstellen. Hierbij gaat het om de hoogte van dollen en riggers, onderscheid bakboord/stuurboord (voor scullboten is de stuurboorddol i.h.a. ca. 1 cm hoger afgesteld dan bakboord), de hoeken van de dolpen, de dol en de riem (samen bladhoek), de lengte van riem en handle, bladtype, manchetten, span, overlap, helling van het voetenbord en de positie van de riggers. Afstelling vraagt om specialistische kennis; daarom vindt afstelling van het materiaal plaats door (of onder begeleiding van) de afstelcommissie. Het is niet de bedoeling dat leden ‘zo maar’ de afstelling van boten wijzigen. Er roeien immers veelal meerdere ploegen in dezelfde boot. Denk je dat de afstelling van een boot niet klopt, neem dan contact op met de afstelcommissie (via het schadeboek op Mijn Daventria). Zo nu en dan worden workshops over afstelling gegeven, deze worden aangekondigd op de website.

Wij hanteren een verenigingsafstelling, met standaarden voor span, hoogte, dolhoek enz.. Deze staan in een (nog te verschijnen) basisdocument Materiaal.

Als vereniging willen we zoveel mogelijk uitgaan van vaste afstellingen, zodat zoveel mogelijk mensen optimaal kunnen roeien en we zo weinig mogelijk tussentijds hoeven te wijzigen. Mocht je niet met deze afstelling uit de voeten kunnen en een specifieke afstelling wensen, bijvoorbeeld voor een wedstrijd, dan kun je hiervoor een verzoek indienen bij de materiaalcommissaris. Ga in geen geval zomaar zelf sleutelen!

Ad 2. Instelling. Hierbij gaat het om zaken die je zelf kunt aanpassen. Zoals de plaats van het voetenbord, de positie van de slidings, de hoogte van de flexheels, de hoogte van de dollen (d.m.v. de gele en rode ringetjes), de stormkraag op de riem en uiteraard de plek voor de riemen (bak/stuurboord) en de oriëntatie van de dollen (de dolpen wijst altijd in de richting van de boeg).

3.3.2 Schades

Als ondanks alle voorzorgsmaatregelen toch schade is geleden, dient verdere schade zoveel mogelijk te worden voorkomen. Losgeraakte of beschadigde delen moeten altijd worden meegenomen, in verband met reparatie. De schade moet door de bemanning worden gemeld in het schadeboek. Het schadeboek is te vinden in Mijn Daventria. Ook moeten opmerkingen over de staat van de boot in het schadeboek worden gemeld (bijv. de taft is gescheurd, het boord van de skiff zit los, er zijn krassen op de huid). Bij ernstige schade (die door de werf gerepareerd moet worden en onder de verzekering valt) moet door de schipper van de ploeg die schade vaart een zgn. kapiteinsverklaring worden opgemaakt, dit is een korte notitie over de toedracht van het ongeval, voorzien van een situatieschets en foto’s van de schade. In alle gevallen dient het eigen risico van schade betaald te worden door de skiffeur of ploeg die schade vaart, ook dient de ploeg de boot naar de werf te brengen (Wiersma, Heerenveen) en daar na reparatie weer op te halen.

Tot slot heeft het bestuur op basis van haar bevoegdheden het recht een boete op te leggen aan de ploeg die schade heeft gevaren. Dit is van toepassing bij onachtzaamheid of nalatigheid.

3.3.3 Materiaalonderhoud

De boten en riemen worden regelmatig onderhouden om daarmee een zo groot mogelijke levensduur en beschikbaarheid te bereiken. Alle gebruikers van het materiaal werken hieraan mee door zorgvuldig om te gaan met het materiaal, dit na elk gebruik schoon te maken en af te drogen en eventuele schades direct te melden. Vooral niet vergeten de slidings altijd schoon te maken.

Het beheer en onderhoud van onze vloot geschiedt onder verantwoordelijkheid van de commissaris Materiaal. Deze wordt bijgestaan door de commissie Onderhoud vloot. Hiertoe worden regelmatig ‘materiaalavonden’ gehouden, waarop gezamenlijk en onder deskundige leiding klein onderhoud wordt gepleegd aan ons materiaal.
Een ploeg kan in overleg met de voorzitter van de materiaalcommissie besluiten om gezamenlijk een boot waarin zij graag en veel roeien, te onderhouden. Daarnaast organiseert de materiaalcommissie een jaarlijkse vlootschouw, waarin aan ploegen wordt gevraagd een boot te inspecteren a.d.h.v. een inventarisatielijst, en de boot grondig schoon te maken.

3.4 Afschrijven en schade melden

Onder 'Mijn Daventria' kunnen we nu met één en dezelfde persoonlijke inlog onze boten afschrijven en schades melden.

3.4.1 Inloggen

Ieder lid ontvangt een gebruikersnaam en een wachtwoord op het mailadres dat bij Daventria bekend is. In het menu bovenaan de website staan alle handige links voor 'Mijn Daventria’ bij elkaar. Het inlogveld staat boven aan (vrijwel) iedere pagina. Als je voor het eerst inlogt vul je de verkregen gegevens in en klik je op de knop ‘INLOGGEN’. (Zie afbeelding 1).

Afbeelding 1

Ben je je wachtwoord en/of gebruikersnaam vergeten? Klik dan op ‘WACHTWOORD VERGETEN?’ en je gegevens worden je via de mail toegestuurd. We raden je aan om bij de eerste keer inloggen direct je wachtwoord te veranderen in een wachtwoord dat je goed kunt onthouden. Je hebt er namelijk niks aan als je op de roei staat en je kunt geen boot afschrijven omdat je je wachtwoord en gebruikersnaam niet uit je hoofd kent. Dit regel je via het kopje 'MIJN GEGEVENS > INLOGGEGEVENS' onder ‘Mijn Daventria’.

3.4.2 Het afschrijfsysteem

Het afschrijfsysteem zit natuurlijk onder de knop ‘AFSCHRIJFSYSTEEM > AFSCHRIJVEN’ en is ook te vinden op www.daventria.com (rechtsboven). Het afschrijfsysteem heeft twee versies: een uitgebreide versie en een mobiele versie. De versie die wordt geladen is afhankelijk van de breedte van het scherm. Rechtsboven kan met de knop Mobiel of Uitgebreid van versie worden gewisseld.

In de uitgebreide versie zie je een overzicht waarin alle boten, de ergometers, de coachboot en de botenwagens onder elkaar staan. Het is een dagoverzicht met links en rechts grijze gebieden die de zonsopgang en zonsondergang weergeven. Linksboven kun je eventueel filteren op boottype, mocht je bijvoorbeeld alleen de skiffs willen zien. Hier kan je ook de gewenste datum voor inschrijven invoeren. Via de knoppen naast het datumveld is het mogelijk naar de vorige of volgende dag, of vorige of volgende week te springen.

Kies bij een boot de datum en tijd waarop je wilt roeien en klik op het gewenste tijdsvak. (Zie afbeelding 2). Het kan zijn dat jouw inschrijving niet geaccepteerd wordt agv bezetting maximale bezetting op het vlot.

Bij de mobiele versie kies je eerst het type boot en vervolgens de dag, het tijdstip en de duur dat je wilt roeien. In het afschrijfsysteem zijn alleen de beschikbare boten voor dat tijdstip, en een kwartier eerder of later zichtbaar. Klik op de boot in het tijdvak dat je wilt roeien (zie afbeelding 2).

Afbeelding 2 – Uitgebreide versie (links) met naam object, sorteercode, type, bevoegdheid, gemiddeld roeiersgewicht, schoenmaat en riemenplein-advies en mobiele versie (rechts) van het afschrijfsysteem.

3.4.3 - Boot reserveren

Op je smartphone of iPad is het selecteren wat moeilijk, maar met wat vingeroefening kom je, net als op de pc, in het volgende veld. Je maakt hier je reservering definitief door de boot, de datum en de tijd (max. 1,5 uur) techecken en waar nodig aan te passen. Klik op de knop ‘RESERVEREN’ en je reservering wordt aangemaakt (zie afbeelding 3). Schrik niet, want hierna krijg je nog een venstertje voor de zekerheid. Klik op ‘OK’ en de reservering staat in het afschrijfsysteem.


Afbeelding 3

3.4.4 Boot annuleren

Wil je een boot annuleren dan klik je op ‘AFSCHRIJFSYSTEEM > ANNULEREN’. Hierna kom je op een pagina waar al je reserveringen zichtbaar zijn. Je ziet de datum, tijd en de naam van de boot. Klik op het rode kruisje om de betreffende boot te verwijderen en vrij te geven voor de andere leden. Het icoontje met het potlood links naast het rode kruisje kan je eventueel je reserveringen aanpassen. (Zie afbeelding 4)


Afbeelding 4

3.4.5 Schade melden

Onder het menu 'AFSCHRIJFSYSTEEM’ staat de kop ‘SCHADE MELDEN’. Als je hierop klikt kies je het boottype of ruimte waaraan schade is aangetroffen. Daarna maak je een keuze om welke boot of ruimte het gaat en geef je de datum aan. Ook geef je een kleine omschrijving van de gemaakte of aangetroffen schade. Tevens kan je de boot buiten gebruik stellen. Heb je alles ingevuld, dan klik je op ‘SCHADE MELDEN’ en de commissie Onderhoud vloot krijgt hiervan bericht. (Zie afbeelding 5)


Afbeelding 5

Onder het formulier staat een overzicht met actuele meldingen, het kan zijn dat de schade al bekend is, controleer dat eerst voor je een nieuwe melding doet.

Is sprake van een incident, zoals een aanvaring, maak dan naast de schademelding ook melding van het incident bij de commissie veiligheid via Mijn Daventria > Afschrijven > Incident melden

4. Roeitechniek

4. Roeitechniek internetcie

De roeibeweging is een continue doorgaande, logische en natuurlijke beweging. Alle bewegingen zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. Er is geen moment waar de roeihaal stopt.

4.1 Lichaamshouding

De lichaamshouding staat in directe relatie tot de bladhouding en omgekeerd. Als het blad op de juiste manier, dat wil zeggen met een eenparige versnelling door het water beweegt, moet de lichaamshouding goed zijn. Voor de duidelijkheid delen we nu eerst de roeibeweging in stukken. Daar bespreken we dan de lichaamshouding bij.

1. het begin van de haal
2. t/m 7 de haal
8 en 9 het einde van de haal
11. de uitpik
12. t/m 13 de wegzet, de recover en het begin van het oprijden 14 t/m 16 het oprijden
16 t/m 18 de inpik

De haal:

Slagklaar (1)

  • De schenen staan bijna verticaal
  • De rug is licht ingebogen
  • De armen zijn gestrekt
  • De bladen staan verticaal in het water, net bedekt

Begin van de haal (2 - 4)

  • De benen trappen uit.
  • De romphouding verandert nauwelijks.
  • Armen blijven gestrekt.
  • Rug en armen brengen de kracht van de benen over op de bladen.

Halverwege de haal (5 - 7)

  • De benen zijn bijna gestrekt.
  • De rug begint naar achteren te zwaaien.
  • Armen zijn nog gestrekt.

Eindhaal (8 - 9)

  • Benen zijn volledig uitgetrapt.
  • De romp wordt gestrekt naar achteren gezwaaid.
  • Armen maken de haal af.
  • De druk op het voetenbord wordt vastgehouden.
  • De bladen zijn bedekt.

Uitpik (10 - 11)

  • De rug blijft in een gestrekte maar ontspannen houding.
  • Handen blijven voor het lichaam en bewegen zonder hapering vloeiend naar beneden en naar voren (J-haal).
  • De bladen worden in horizontale positie gebracht.

De recover:

  • De armen strekken.
  • Vervolgens trekken de armen de romp en tenslotte het bankje mee naar voren. Dit zijn ontspannen en vloeiende bewegingen.

Het oprijden (13 - 17)

  • Halverwege de recover (half opgereden) is de romp in de inpikhouding.
  • De armen zijn gestrekt.
  • Vlak voor de inzet wordt het blad verticaal gedraaid.

De inpik en volgende haal (18)

  • De schenen staan (bijna) verticaal.
  • Een natuurlijke ontspannen lichaamshouding.
  • De bladen hangen een halve bladhoogte boven het water.
  • De armen maken de inpik met de schouder als scharnierpunt.

4.2 Aandachtspunten

Een aantal belangrijke punten waar naast de lichaamshouding aandacht aan moet worden besteed zijn:

  • tot aan het einde van de haal druk op het blad en het voetenbord houden;
  • licht hoogteverschil tussen aanhalen en wegzet;
  • de snelheid van wegzetten volgt logisch uit die van de haal;
  • eerst de armen / handen voorbij de knieën (wegzet), daarna pas gaan rijden;
  • ontspannen draaien van de riem (de vlakke kant van de manchet valt in het slot);
  • doldruk houden waarbij de kragen tegen de dol blijven, vooral bij het einde van de haal;
  • oprijden is ontspannen de boot onder je door laten glijden (dit is gerelateerd aan de snelheid waarmee je roeit);
  • de recover is de herstelperiode, maar ook de voorbereidingsperiode voor een nieuwe haal (klaar zitten voor de inpik);
  • tijdens het oprijden tijdig de riem draaien en het blad het water laten naderen (vanuit de schouders), en
  • na de inpik direct trappen, de romp en schouders brengen de kracht van de benen als een spanningsboog over op het blad.

4.3 Veelvoorkomende fouten

  • te laat draaien van het blad waardoor men in tijdnood komt en het blad niet rechtstandig het water ingaat. Gevolg: diepen en onbalans.
  • stilzitten voor de inpik (geen doorgaande beweging);
  • rijden tegen de voorstops (afstellen voetenbord);
  • aarzelen voor de inpik en daardoor te laat trappen;
  • naduiken, het lichaam is te laat in de inpikhouding (moet halverwege de recover al klaar zijn);
  • nareiken, proberen langer te zijn dan je bent vanuit schouders of armen.

Laatstgenoemde twee fouten hebben tot gevolg dat het blad omhoog gaat, dat wil zeggen van het water af in plaats van er naar toe. Bovendien wordt daardoor de doorgaande beweging verstoord (stilzitten).

Onderstaande tabellen geven de tien meest gemaakte roeifouten aan, met de oplossingen/oefeningen erbij.

Houding

SYMPTOOM In de haal is de rugbeweging afwijkend
FOUT
  • roeien met een kromme rug
  • rug te vroeg gebruikt
OORZAAK
  • onervarenheid
  • onvoldoende spanning in de romp met als gevolg een rugblessure
OPLOSSING
  • trots in de boot zitten (bezemsteel)
  • vanuit de heupen scharnieren, bekken kantelen
SYMPTOOM minder druk tijdens de haal, gepaard met kramp in de armen
FOUT 
  • armen zijn niet gestrekt
  • de polsen zijn gekromd
  • met "bokkenpootjes" roeien
OORZAAK 
  • niet ontspannen roeien met als gevolg kramp of peesschede-ontsteking
  • hand-onderarm zijn niet in een rechte lijn tijdens de haal
OPLOSSING
  • armen als touwtjes op de hendel leggen
  • roeien met de vingers (pianospelen)
  • ongeklipt, met vaste bladen roeien

Uitpik

SYMPTOOM riem niet uit het water krijgen, blijven plakken aan het water
FOUT
  • de boot valt over een boord bij de uitpik
  • het ritme is ongelijk
OORZAAK
  • de juiste aanhaalhoogte wordt niet tot het einde van de haal toe volgehouden
OPLOSSING
  • tubben: Een deel van de boot houdt balans door de bladen over het water te laten glijden (tubt), een deel van de boot roeit
  • de haal opbouwen vanuit vaste banken naar hele banken in een constant ritme
SYMPTOOM Snoeken (blad wordt onderwater getrokken)
FOUT
  • het blad gaat niet verticaal het water in
OORZAAK
  • blad is gedraaid bij de inpik
OPLOSSING
  • ongeklipt, met vaste bladen roeien
SYMPTOOM Vallen van de boot bij de uitpik en scheren van blad over het water/uit het water lopen
FOUT
  • in de haal wordt het handvat naar de heupen getrokken en riem vastgezet
OORZAAK
  • teveel met de armen willen roeien
  • geen vloeiende uitpik en/of actieve wegzet die vloeiend doorloopt
OPLOSSING
  • ongeklipt, met vaste bladen roeien
  • meer druk opbouwen vanuit de benen
  • choppen achterin (herhaaldelijk uitpikken en wegzetten zonder halen)
  • spoelhaal roeien (het blad gedurende de haal door het water laten drijven terwijl de boot recht ligt)

Recover

SYMPTOOM
  • de boot ligt continue over bakboord
FOUT
  • men zit scheef en/of krom in de boot
OORZAAK 
  • doordat de wind van stuurboord komt, kan de boot over bakboord vallen
  • handvathoogte wordt niet consequent aangehouden
OPLOSSING
  • handvathoogte stilliggend controleren
  • deadlight roeien (het blad gedurende de haal door het water laten drijven terwijl de boot recht ligt)
  • tubben
  • stuurboord moet ruimte geven zodat bakboord minder diep gaat weg zetten

Inpik, haal

SYMPTOOM we gaan niet (hard) vooruit
FOUT
  • kracht ontbreekt
  • gelijkheid
  • de haal is niet effectief (een stuk mist)
  • Obelixhaal (het blad maakt een ronde beweging in plaats van kettingbeweging: bij in- en uitpik wordt een stuk water gemist)
OORZAAK 
  • er is te weinig getraind
  • beter concentreren op gelijkheid
  • vlaggen (de bladen gaan voor de inpik omhoog in plaats van omlaag / water naderen)
  • stilzitten voor
  • nareiken
OPLOSSING
  • conditie opbouwen in het krachthonk en op de ergometer
  • stuur telt mee, met de ogen dicht roeien
  • opbouwoefening met wisselende kracht
  • oefeningen met stopjes
SYMPTOOM blaren op de handen en niet op vingerkootjeshoogte
FOUT
  • krampachtig roeien
  • knijpen in het handvat
OORZAAK
  • weersomstandigheden (nat)
  • nieuw handvat
  • knijpen
OPLOSSING
  • handschoenen dragen
  • 'pianospelen' (met de vingers op het handvat trommelen)
  • riemen natmaken c.q. droogmaken
SYMPTOOM zagen van het blad door het water
FOUT
  • ongelijkmatig kracht uitoefenen tijdens de haal
OORZAAK 
  • de overgang tussen benen-rug-armen loopt niet goed
  • er wordt geroeid met opgetrokken schouders
OPLOSSING
  • één keer trappen (kracht zetten) en dan de boot stilleggen, dit herhalen en opbouwen
SYMPTOOM er wordt naar voren ingepikt (frontsplash) en een stuk haal gemist
FOUT
  • te laat terugdraaien van het blad
  • stilzitten en/of nareiken voorin
  • inpikken met rug in plaats van armen
OORZAAK
  • scherpte voorin mist en luie inpik
  • ongelijk roeien en wachten op elkaar
  • onvoldoende getraind op de inpik
OPLOSSING
  • tubbend de inpik oefenen
  • kleine backsplash produceren (water spettert op richting de boeg)
  • actief plaatsen vanuit de armen
  • choppen voorin (herhaaldelijk inpikken met alleen de armen)

4.3.1 Slordige uitpik

Dit is een veel gemaakte fout die verschillende oorzaken heeft. De hoofdoorzaak is het laten weglopen van de druk naar het eind van de haal door slechte coördinatie van het lichaam. Als gevolg hiervan komt het blad slecht uit het water, wat op zijn beurt de balans in de boot ongunstig beïnvloedt. Dit komt vaak voor als de ellebogen te ver naar buiten wijzen (niet ontspannen langs het lichaam) of als het voetenbord niet goed is afgesteld. De roeier kan met beide handen voorbij het lichaam.

4.3.2 Coördinatie

Als de roeier goed trapt en "hangt" aan zijn riem(en), is het duidelijk wanneer rug en armen worden ingezet: pas als rug en armen genoeg kracht hebben om over de beenkracht heen te kunnen komen. Voor de rug is dit halverwege de haal. Pas aan het einde van de haal worden de armen snel bijgehaald.

De roeier die zijn rug laat inzet trapt dus niet optimaal, hij trapt door zijn bankje. Oorzaak is dat de onderrug niet is gefixeerd als gevolg waarvan de spanningsboog via benen-rug-armen zijn werk niet kan doen.

“Zagen” van het blad wordt veroorzaakt door dat de coördinatie tussen benen-rug-armen niet goed verloopt. De druk op het blad valt dan even weg en zagen van het blad (= op en neer gaan van het blad in water) is het gevolg.

4.3.3 Diepen van het blad

(En als gevolg daarvan moeilijk uitpikken) komt voor als de riemen te gespannen worden vastgehouden. De achterkant van de riem ligt vaak niet tegen de dol aan en ook "bokkenpootjes" of kromme polsen komen voor. Bij deze fout is de kans groot op het ontstaan van de typische roeiblessure, overbelaste onderarmen en/of polsen.

4.3.4 Handhouding bij scullen

De boot is zo afgesteld dat er altijd links boven rechts geroeid wordt. De handen worden aan het eind van de riem gehouden en de duimen duwen/ liggen tegen de zijkant van de hendel. De vingers vormen een haak die trekt en de polsen zijn tijdens de haal recht. Probeer doldruk te houden. Let op de juiste afstelling van het voetenbord, zodanig dat de handen niet of met heel veel moeite voorbij het lichaam kunnen komen.

4.4 Boordroeien

Een aantal specifieke punten voor boordroeien zijn:

  • Voer de beweging zo symmetrisch mogelijk uit. Dat wil zeggen trappen met beide benen, terwijl het hoofd boven de kielbalk blijft.
  • De riem wordt vastgepakt op schouderbreedte, de buitenhand aan het eind van de riem, de binnenhand minstens 1,5 handbreedte naar binnen.
  • Binnenarm (aan de zijde waar je riem zit) is licht gebogen.
  • Buitenarm en schouder reiken enigszins naar het boord waar je riem zit.
  • Duimen om de riem, vingers vormen een haak die trekt en niet knijpen.
  • Binnenbeen blijft tussen de armen.
  • Buitenbeen mag erbuiten, hoeft niet.
  • Draaien van de riem gebeurt met de binnenhand (actief), terwijl de buitenhand dit toelaat.

Regelmatig van boord wisselen lost veel problemen met betrekking tot ongelijkheid van trappen en andere asymmetrie op. Dit is zeer belangrijk voor beginnende boordroeiers.

4.5 Ritme

Het ritme is het belangrijkste element van het roeien. Er is een verhouding tussen de kracht die geleverd wordt en de snelheid van de boot, deze twee bepalen het tempo. Als je hard roeit, mag je ook sneller naar voren rijden, of beter geformuleerd: de boot glijdt dan sneller onder je door. Maar vergeet niet dat de recover een heel belangrijk deel van de roeibeweging is, het moment van relatieve rust en vooral van de voorbereiding op de nieuwe haal. Neem dus vooral voldoende tijd voor de recover. Er wordt meestal uitgegaan van een verhouding van 1:2, waarbij 1 de duur van de haal is en 2 de duur van de recover.

4.6 Ploegroeien

Voor een ploeg is het belangrijk om gelijk te roeien. De inpik en uitpik (potentieel verstorende momenten voor de balans), de wegzet en het begin van het oprijden moeten gelijk zijn. In dat geval is de voorbereiding voor een goede haal optimaal. De gelijkheid in combinatie met goede timing/coördinatie van de haal bepaalt het "lopen" van een boot.

4.7 Technische hulpmiddelen

Veel roeiers gebruiken een Speedcoach, Coxmate, sporthorloge of app bij het trainen om hun prestaties bij te houden en te verbeteren. Deze apparaten geven onder andere het aantal slagen per minuut en de snelheid (in kilometer per uur of tijd per 500 meter) weer en geven daarmee direct feedback over de efficiëntie van de haal. Oude speedcoaches werken met sensoren in de boot (de impeller en een sensor in het bankje) en geven de snelheid ten opzichte van het water aan. Nieuwere versies werken op basis van GPS en andere interne sensoren en geven de snelheid ten opzichte van het land aan hetgeen op een stromende rivier tot afwijkende snelheden leidt. Voor smartphones zijn er alternatieven beschikbaar.

5. Stuurtechniek

5. Stuurtechniek internetcie

Het sturen van een boot is meer dan alleen aan de touwtjes trekken van het roer. Het is een complex samenspel van het bepalen van de koers naar gelang van wind, stroming, omgeving en roeiers. Daarbij moet de stuur niet alleen het roer bedienen maar ook de roeiers aansturen. Dit aansturen gebeurt door een vaste set commando’s. In dit hoofdstuk worden de onderdelen van de stuurtechniek en bijbehorende commando’s besproken.

5.1 Buitenbrengen van de boot

Het gewicht van een roeiboot licht grofweg tussen de 20 (skiff) en 100 kilogram (acht). Het buitenbrengen van de boten zonder schade is een ploeginspanning. De stuur coördineert dit van achter de boot.

Boten en riemen hebben elk hun eigen vaste plaats in de loods. De boten liggen in de stelling of op lage karretjes, wiegen genoemd. Gladde boten boten worden op de schouders getild en parallel aan het vlot in het water gelegd. C-boten worden in de handen getild, over de punt van het vlot in het water gelegd en vervolgens langs het vlot getrokken.

Voordat de boten in het water worden gelegd worden eerst de riemen en eventueel het roer, losse bankjes, hoosblik, pikhaak etc. naar buiten gebracht. De riemen worden met de bladen naar voren getild. Riemen mogen met de manchet, de kraag en het handvat niet in het zand worden gelegd, de bolle kant van het blad wordt naar onderen gelegd. Bankjes worden met de wieltjes naar boven neergelegd.

5.1.1 Het buitenbrengen van gladde boten

Aan de boorden - De roei(st)ers stellen zich op bij een roeiplaats (tussen duw- en trekstang) met beide handen aan de boorden van de boot. Skiffs worden bij de boegbal en het voetenbord beetgepakt.

Tillen gelijk... nú - De boot wordt met beide handen aan de boorden tegelijk opgetild en iedereen stapt met de boot opzij. Hierbij wordt er op gelet dat de huid en de dollen bovenliggende schragen/boten niet raken!

Boven de hoofden… nú - De boot wordt boven de hoofden getild.

Rechter- of linkerschouder - De boot wordt schuin op de genoemde schouder genomen. De arm aan de genoemde schouder is gebogen, de andere arm gestrekt.

Naar buiten… nu  – De boot wordt naar het vlot gebracht.

Voor de buiken… nú - De boot wordt met één hand aan een spant en één hand aan het dichtst bij de roeier komende boord vastgepakt en kantelt langzaam voor de buiken. Alle roei(st)ers staan nu aan de landzijde van de boot en tillen deze op buikhoogte.

Overslagen waterzijde los – De overslagen aan waterzijde worden losgemaakt.

Tenen aan de rand - De roei(st)ers gaan voorzichtig naar voren en zetten een voet tot aan de rand van het vlot. De tenen mogen nooit oversteken.

In het water - De boot wordt nu zachtjes door alle roei(st)ers gelijktijdig op het water gelegd. Met één hand aan een spant en één hand aan het boord wordt de boot recht gehouden, zodat de huid en het vinnetje nooit de rand van het vlot raken.

Vervolgens wordt de boot door de stuur vastgehouden en de riemen in de boot gelegd.

5.1.2 Het buitenbrengen van C-boten:

Aan de boorden - De roei(st)ers stellen zich aan een zijde van de boot op ter hoogte van de wiegen.

Uitschuiven gelijk… nú – De boot wordt uit de stelling of met de wiegen onder de stelling vandaan geschoven.

Aan de boorden - De roei(st)ers stellen zich tegenover elkaar bij de voor- en achtersteven van de boot op met beide handen aan de boorden van de boot. De boot mag nooit worden getild aan diagonaallatten, slidings, voetenbord of riggers. Sommige boten hebben speciale handvatten om aan te tillen. Let ook op een goede tilwijze met gestrekte rug en vanuit de benen.

Tillen gelijk… nú - De boot wordt met beide handen aan de boorden van de wiegen of van de stelling opgetild en naar het midden van het gangpad gebracht. Hierbij wordt erop gelet dat de huid en de dollen andere boten of de stelling niet raken!

Naar buiten... nú - De boot wordt naar het vlot gebracht.

Draaien met de kiel over land/zee… nú - De boot wordt boven het vlot gedraaid met de kiel over het genoemde punt. Bijvoorbeeld: over “zee” (d.w.z. waterzijde) of “land”. De kiel wordt door de wind gedraaid omdat de open bovenkant veel wind vangt. Het boord dat het dichts bij het genoemde punt is, wordt bovenlangs over het andere boord gedraaid. Let er daarbij op dat de riggers het vlot niet raken.

Neerzetten en kleppen los - De boot wordt voorzichtig op de kiel gezet en minstens twee roei(st)ers houden de boot op de kiel terwijl anderen de overslagen ("kleppen") op de dollen losmaken.

Aan de boorden - Iedereen pakt de boot weer vast.

Tillen gelijk… nú - De boot wordt opgetild.

Over de rol - De boot wordt rechtstandig en haaks op de rol gezet en daarover het water ingerold. De personen die de boot vooraan tillen begeleiden de boot zodat deze op de rol blijft liggen.

De stuur legt vervolgens de boot langs het vlot en houdt deze vast. De roeiers leggen de riemen in de boot. Vervolgens brengt de stuur het roertje aan.

Een wherry wordt op vergelijkbare wijze als de C-boten naar buiten gebracht maar hoeft, omdat ze op haar kiel in de loods ligt, uiteraard niet gedraaid te worden en kan vanwege het stevige onderstel tot aan de loodsdeur gereden worden.

5.2 Instappen en wegvaren

Instappen doet de hele ploeg gelijktijdig. De stuur houdt de boot vast in het midden vast met één hand aan de boordrand voor de rigger en de andere op de dol, het gewicht van de stuur leunt op de dol. Hiermee kan hij de boot van het vlot afhouden zodat de huid en de riggers bij het instappen vrij blijven van het vlot en voorkomen dat de boot omslaat indien de roeiers hun gewicht over de kiel heen verplaatsten. Bij achten of minder lenige ploegen kunnen beide handen op de dol worden geplaatst.

Instappen gebeurt dan op commando van de stuur:

Klaarmaken om in te stappen - De roei(st)ers gaan bij de eigen roeiplaats bij de boot staan. De riem aan de waterzijde wordt met de kraag tegen de dol geduwd. Beide riemen worden met één hand vastgehouden. De andere hand steunt op de boordrand of op het vlot.

Instappen gelijk… één - De voet aan de bootzijde wordt op het opstapplankje geplaatst;

… twee - Het lichaamsgewicht wordt overgebracht op de voet die op het plankje staat en de tweede voet wordt naar het voetenbord gebracht waarbij been waarop men staat wordt gebogen;

… drie - Gaan zitten op het bankje en de voet van het instapplankje naar het voetenbord brengen.

Kleppen waterzijde dicht - De kleppen worden dichtgedraaid.

Het heeft de voorkeur om gelijk van het vlot te vertrekken en op het water te stellen zodat het vlot zo snel mogelijk vrij is voor andere boten en de boot tijdens het stellen niet tegen het vlot aanschuurd. De stuur stapt in (dit kan in wezen zonder aankondiging tenzij de roeiers niet op zitten te letten), kijkt om zich heen of hij/zij de ruimte heeft om te vertrekken en vraagt of de roeiers klaar zijn:

Eén klaar? … Twee klaar? Etc. - De roeiers geven met ja of nee aan of ze klaar zijn om te vertrekken.

Er zijn twee mogelijkheden om weg te varen: Afzetten langs het vlot of uitzetten langs het vlot. Uitzetten heeft als voordeel dat men sneller en met minder ruimte weg kan varen maar is instabieler omdat de boot tijdelijk op een kant rust en de riemen worden ingetrokken. Uitzetten tegen de wind in is bovendien lastig.

Afzetten langs het vlot – Alle roei(st)ers pakken met één hand het vlot vast en duwen de boot langs het vlot totdat de boot vrij licht.

Strijken wie strijken kan – Roeiers die de riemen vrij hebben van het vlot beginnen met strijken.

Of:

Uitzetten gelijk... nú - Alle roei(st)ers pakken met één hand het vlot vast en duwen op "nú" met kracht de boot af van het vlot. Daarna zetten zij de bladen aan de vlotzijde verticaal op de rand van het vlot en duwen zo de boot volledig vrij van het vlot.

5.3 Manoeuvreren

5.3.1 Halen

Om de boot in voorwaartse beweging te krijgen moeten de roeiers gaan halen. De haalbeweging dient gelijktijdig te beginnen. De stuur geeft dit aan:

Slagklaar maken – De roeiers in de inpik houding zitten met de bladen plat op het water.

Slagklaar – De roeiers draaien hun blad plat op het water.

Af – De roeiers beginnen aan hun haal.

Kracht

Tijdens het roeien kan er van kracht worden gewisseld. In de commando’s  hiervoor zijn veel variaties nodig. Bijvoorbeeld percentage van kracht, verschillende kracht in inpik en uitpik en opbouwen van kracht of tempo. De basis commando’s van hard naar traag roeien zijn:

Strong… nú – De roei(st)ers roeien met 80 – 90% kracht, het tempo wordt meegenomen.

Medium… nú – 50% kracht.

Light… nú – Circa 25% kracht.

Spoelhaal… nú – Halen zonder kracht.

Hoogte
Ook de hoogte waarmee de bladen tijdens de recover boven het water worden gehouden kan worden gevarieerd:

Hoog scheren… nú - De riemen moeten tijdens het oprijden hoog boven het water worden gehouden. De bladen blijven horizontaal tot vlak voor de inpik. Dit commando wordt bijvoorbeeld gegeven indien (niet erg hoge) golven worden genomen

Slifferen… nú – De bladen worden vanuit de uitpik op het water gedraaid en scheren over het water tot aan de inpik. Hierdoor wordt de boot tijdens de recover in balans gehouden.

Normale haal… nú – De bladen worden tijdens de recover op de normale hoogte boven het water gehouden.

5.3.2 Strijken

Strijken gelijk… nú - De bladen met de bolle kant naar de achtersteven draaien en in het water zetten. Door tegen het handvat te duwen vaart de boot achteruit.

Strijken bak-/stuurboord… nú - Als hierboven, maar alleen met de bak- / stuurboordriem.

5.3.3 Sturen

Sturen kan met het roer of met de roeiers. Omdat sturen de balans in de boot verstoord en de vaart van het schip remt is het wenselijk zo weinig mogelijk te sturen. Door tijdens de haal te sturen wordt de balans minder verstoord. Echter, de werking van het roer is het grootst als er geen bladen meer in het water zijn, dus tijdens het oprijden van de roeiers kunnen forsere correcties gemaakt worden. Afhankelijk van de situatie, het boottype en de ervaring van de ploeg moet gekozen worden voor sturen tijdens de haal of sturen tijdens het oprijden.

Door de roeiers aan één kant (meer) kracht te laten zetten kan de boot ook bijgedraaid worden. Dit gaat als volgt:

Vanuit stilstand:
Halen bakboord/stuurboord – De roeiers halen alleen met de genoemde riem, het blad aan de andere kant houdt de balans op het water.

Varend:
Bakboord best – Met de bakboordriem wordt meer kracht gezet, met de stuurboordriem minder kracht.

Stuurboord sterk – De stuurboordriem wordt meer kracht gezet, met de stuurboordriem minder kracht.

Beide boorden gelijk - Met beide riemen wordt weer met evenveel kracht gehaald of gestreken.

“Bakboord best” en “Stuurboord sterk” zijn vaste combinaties die ten alle tijde in deze combinatie gebruikt moeten worden. Indien een roeier het eerste deel van het commando niet heeft gehoord weet hij vanwege “best” of “sterk” aan welk boord hij kracht moet zetten. Vanzelfsprekend kan er ook tijdens het strijken aan één kant meer kracht worden gezet, “halen” wordt in de bovenstaande commando’s dan vervangen door “strijken”.

5.3.4 Afremmen en stoppen

Voordat afgeremd en gestopt kan worden moet men eerst ophouden met roeien. Dit gaat met het volgende commando’s:

Laat… lopen – De roeiers maken de haal af en gaan in de ‘eerste stop’ zitten: het blad gekanteld, de handen nog bij het lichaam.

Door “laat” samen te laten vallen met de inpik en “lopen” met het eerste deel van de haal weet iedereen dat hij/zij aan het einde van de haal op moet houden met roeien. Het laten lopen voelt dan natuurlijk aan in tegenstelling tot wanneer het commando tijdens de recover wordt gegeven. Moeten we nog een haal of niet. Als de roei(st)ers strijken is een simpel bedankt genoeg.

Bedankt – De roeiers strekken hun armen en leggen de bladen plat op het water.

Vervolgens kan er afgeremd en gestopt worden:

Vastroeien -  De bladen worden met vrijwel gesterkte arm onder 45 graden gedraaid met de bolle kant tegen het water gedrukt waardoor de vaart afneemt;

Houden beide boorden - De bladen worden met vrijwel gestrekte armen met de bolle kant in het water gedrukt en geleidelijk rechtop gedraaid waardoor de boot stopt;

Stoppen - De bladen worden verticaal in het water gezet met de bolle zijde van het blad naar de achterpunt toe. De grote druk op het blad is slecht voor de riemen en dollen, waardoor dit commando alleen gebruikt mag worden bij een boot die (bijna) stil ligt, bijvoorbeeld als voorbereiding op rondmaken: stoppen aan bakboord (stuurboord).

Vastroeien, houden en stoppen kunnen ook worden gecombineerd met bakboord of stuurboord. De boot riemen worden dan alleen aan de betreffende kant in het water gezet, de andere kant scheert over het water heen. De boot draait dan gelijk in de richting waar gehouden wordt.

Noodstop
Indien een noodstop gemaakt moet worden is er geen tijd voor de opeenvolgende commando’s en worden ze in één keer gegeven:

Laat-lopen-en-houden-gelijk! - De roeihaal wordt terstond onderbroken en de bladen worden met de bolle kant in het water gedrukt en rechtop gedraaid Het omdraaien van het blad (zoals bij het commando “stoppen”) is bij een noodstop niet toegestaan, dit geeft bij hoge snelheden namelijk zoveel druk op het blad dat riemen, riggers of spanten kunnen breken en roeiers over boord kunnen slaan. Bovendien kost het draaien van het blad in deze (nood)situatie veel teveel tijd.

5.3.5 Ronden

Door om de beurt met het ene boord te strijken en het andere boor te halen kan op een klein oppervlak gedraaid worden. Dit noemen we ronden:

Ronden over bak-/stuurboord - De roei(st)ers gaan in de uitpikhouding zitten en draaien hun blad van de genoemde zijde met de bolle kant naar de achterpunt (klaarzitten om te strijken).

… nú - Met de genoemde riem wordt gestreken met volledig oprijden. Eenmaal opgereden wordt met de andere riem een haal gemaakt. De bak- en stuurboordriem gaan dus beurtelings door het water.

De handen blijven bij elkaar. De riem die niet in het water is wordt boven het water meegenomen, tijdens de het halen is het handig om de inactieve riem iets achterover te kantelen.

5.4 Bijzondere omstandigheden

Tijdens het sturen kom je van alles tegen en zijn er verschillende invloeden op de boot. Het Gele Boekje geeft van deze situaties aan wat er met de boot gebeurt en hoe hierop gereageerd kan worden. De reactie is echter afhankelijk van de situatie op het water: hoe sterk is de stroming, staat er wind, is er scheepvaart of zijn er obstakels. Om hier goed mee om te kunnen gaan is ervaring nodig, Achtergrondinformatie en voorbeelden zijn te vinden in het boekje Sturen bij Daventria.

5.4.1 Vernauwingen en lage doorgangen

Vernauwingen en/of lage doorgangen kunnen respectievelijk slippend en/of liggend genomen worden. De stuur kondigt de manoeuvre aan:

Slippen en liggen over vijf halen… 5… 4… 3… 2… Laat… lopen

Slippen beide boorden en liggen - De riemen worden aan het eind van de haal langszij de boot met de bladen plat op het water richting achterpunt gehouden. De riemen worden doorlopend vastgehouden in de hand en de roeiers gaan liggen.

Na het passeren van de doorgang volgt dan:

Uitbrengen… en pak weer op - De roeiers gaan rechtop zitten, de riemen worden weer uitgebracht en de roei(st)ers beginnen met halen op aangeven van de slag.

Slippen kan ook gedaan worden indien de stuur een obstakel over het hoofd heeft gezien en deze met de bladen dreigt te raken:

Slippen bak-/stuurboord nú – De roeiers laten lopen en leggen de riem aan het genoemde boord langs de boot.

Uitbrengen… en pak weer op.

5.4.2 Wind

Een roeiboot is windgevoelig, Met zijwind wordt de boot gemakkelijk zijwaarts geblazen, dit wordt verlijeren genoemd. De kant waar de wind vandaan komt wordt de “hoge wal” genoemd, de kant waar de wind heen blaast de “lage wal”. Met zijwind gaat de boot niet de die kant op waar de boeg heen wijst maar verlijert zij naar de lage wal. Stuur daarom  regelmatig iets tegen de wind in om afstand van de wal te houden. Ook bij het stilliggen dient men voldoende ver van de lage wal af te blijven, draai desnoods de boeg iets tegen de wind in om sneller weg te kunnen komen. Bij sterke zijwind kan, indien de omstandigheden dit toelaat ervoor gekozen worden om onder de hoge wal te varen.

Op de IJssel kan de wind hinderlijke gevolgen hebben. Als de wind met de stroom van de rivier mee waait, is er niets aan de hand. Als hij er tegenin gaat ("wind-tegen-stroom") kunnen er 'staande golven' in de rivier ontstaan. Plotseling wordt het water wild, als een soort branding, terwijl er geen schip geweest is.

5.4.3 Stroming

Net als de wind beïnvloedt ook de stroming de koers van de boot. Het is daarom belangrijk om te weten hoe de stroming in de rivier zich gedraagt en hoe hiermee om kan worden gegaan.

In principe wil de stroming altijd rechtdoor totdat het ergens tegenaan loopt, bijvoorbeeld de buitenbocht of een krib. In de buitenbocht komt het water samen, kan geen kant meer op en er ontstaat een stroom naar beneden. Langs de bodem stroomt het water naar de binnenbocht en komt daar weer boven. Ook hier wil het water eigenlijk rechtdoor en steekt aan de oppervlakte weer over naar de buitenbocht. Op deze manier ontstaat een kurkertrekkerachtige beweging die zand afslaat aan de buitenbocht (snelstromend) en ditzelfde zand weer afzet in de binnenbocht.

Om deze zandafzettingen te beperken zijn de kribben bedacht. Hierdoor stroomt het water in de rivier extra snel, zand en rommel worden meegenomen zodat er voldoende diepgang voor de beroepsvaart blijft. Dit snelstromende water komt deels tegen de krib. Hierbij ontstaan twee stromingen: één zijwaarts richting het midden van de rivier en een keerstroom stroomopwaarts langs de wal (een “neer” genoemd).

Door de zijwaartse stroom ontstaan draaikolken. Door deze stroom en kolken wordt de boot eerst met de boeg en daarna met de achtersteven zijwaarts geduwd. Als een boot langs een krib vaart moet men dus tegensturen om te voorkomen dat men midden op de rivier uitkomt. Gladde boten varen meestal net buiten de kolken omdat de zijwaartse beweging de balans verstoord.

De keerstroom wordt merkwaardigerwijs een "neer" genoemd. Er wordt zand afgezet in het water dat tussen de kribben minder snel stroomt. Hier is vaak de bodem zichtbaar. Eenzelfde fenomeen doet zich in de havenmond van Daventria voor. Bij normale waterhoogten is er niets te zien, bij laag water is vastlopen op een zandbank beslist mogelijk.

De sterkte van de stroom is op een rivier niet overal gelijk: in het midden stroomt het water harder dan dicht bij de wal. Op de IJssel is de stroming in het midden ongeveer vier kilometer per uur, langs de kribben één kilometer per uur en tussen de kribben min één kilometer per uur. Stroomafwaarts wordt dan ook vaak midden op de rivier geroeid, stroomopwaarts dichter bij de kribben omdat met dan de meeste tegenstroom heeft. Indien men snel stroomopwaarts wil kan men ook gebruik maken van de neer door tussen de kribben gaan varen. Dit wordt “kribbenbijten” genoemd.

5.4.4 Rondmaken op stromend water

De verschillen in stroomsnelheid zijn van invloed op het ronden. Als een boot dwars op de rivier ligt met de boeg naar het midden bevindt de boeg zich in snelstromend water en het hek in langzaam stromend water. De boeg wordt dan sneller stroomafwaarts geduwd en de boot draait stroomafwaarts. Van dit fenomeen kan handig gebruik gemaakt worden bij rondmaken.

Stroom op varend gaat dat als volgt. Blijf bij de aangehouden wal, laat lopen, stuur de boeg richting het midden en laat houden aan de rivierzijde. De stroom helpt nu sterk mee bij het rondmaken. Door eerst tussen de kribben te gaan varen en daarna de boeg vlak voor de boeg in de zijwaartse stroming te steken wordt het effect nog eens versterkt: de boeg zit nu immers in stromend water en het roer in de neer.

Stroom af varend is het makkelijker om eerst over te steken: stuur met een grote bocht de boeg richting de overkant. Laat enkele lengten van de wal lopen en houden aan de kant waar de stroming vandaan komt. De stroom zet dan het achterschip rond. Ook hier kan gebruik worden gemaakt van de kribben: door de boeg net stroomafwaarts van de krib in de neer te steken wordt het schip sneller rondgezet. Deze manoeuvre kan zowel aan de eigen wal als de tegenoverliggende wal worden gemaakt.


5.4.5 Scheepvaart

Bij scheepvaart is het uiteraard belangrijk om een aanvaring te vermijden door op de juiste plaats te varen, een duidelijke koers te varen en uit de dode hoek te blijven.

Naast het risico op een aanvaring brengen ook de golven van motorschepen gevaar met zich mee. De golven kunnen naar binnenslaan waardoor de boot volloopt of een boot om laten slaan. Hoe met golven moet worden omgegaan is sterk afhankelijk van het type golf, de hoogte van de golf , het type boot, de ervaring van de roeiers en de ruimte die men heeft.

Er zijn twee typen golven: ronde golven (vooral door vrachtschepen) en scherpe golven (vooral door patrouille- en pleziervaartuigen). Vreemd genoeg hebben speedboten die over het water planeren vaak juist weinig golven, ook moderne vrachtboten maken weinig golven.

Ronde golven worden in principe parallel genomen, de golf tilt de boot op. Scherpe golven worden haaks genomen omdat deze onvoldoende draagkracht hebben om de boot als geheel op te tillen. De golf kan dan over het boord naar binnenslaan. Door haaks op de golf te gaan liggen is de lengte waarover het water naar binnen kan slaan kleiner, namelijk alleen de boeg (vaak voorzien van een waterkering) in plaats van de hele lengte van de boot.

De oever van de IJssel is op de meeste plaatsen glooiend waardoor de golven afdempen. Echter, bij de stad is een kademuur waardoor de golven terugkeren en zogenaamde kruisgolven ontstaan.

Bij hoge golven of kruisgolven is het verstandig om stil te gaan liggen. Bij lage golven of als de situatie stilliggen niet toestaat (b.v. stroming of wind) kan men ervoor kiezen om door te roeien waarbij golven haaks worden genomen.

Probeer altijd zoveel mogelijk ruimte tussen het motorschip en de roeiboot te krijgen door richting de wal te sturen. Op grotere afstand van het motorschip zijn de golven minder hoog. Pas echter op met stilliggen tussen de kribben, door de zuiging van grote schepen kan het water tussen de kribben weg worden gezogen waardoor de boot op de grond komt te liggen.

Het passeren van schepen en hun golven wordt in onderstaande afbeeldingen toegelicht.

Tegemoetkomend schip parallel:

Tegemoetkomend schip haaks:


Oplopend schip parallel:

Oplopend schip haaks:


5.4.6 Na hoogwater

Als het hoogwater is geweest drijft er veel rommel, vrijgekomen uit de uiterwaarden, op de rivier. De “vetergang” is dan heel praktisch. De stuurman stuurt licht slingerend over de IJssel om goed te kunnen zien wat er drijft en dit te kunnen ontwijken.

5.5 Aanleggen

Ongestuurde boten (bijv. skiff, 2x) liggen altijd met de boegbal ‘naar buiten’ in de loods. Gestuurde boten (bijv. C2+, C4+, 4x+) worden altijd met de boegbal ‘naar binnen’ op de stelling gelegd. Om draaien op het vlot te voorkomen, leggen ongestuurde nummers dan ook - bij voorkeur - strijkend aan en gestuurde boten halend.

Lukt het niet, gewoon opnieuw proberen. Neem altijd een lange aanloop zodat onderweg alvast duidelijk wordt wat het schip "doet". Er is dan nog voldoende gelegenheid de hoek van aanvaren zo nodig te wijzigen. Overigens is het niet ‘verboden’ om hulp te vragen bij het aanleggen. Beter hulp gevraagd dan schade gevaren…

De manier van aanleggen is afhankelijk van de windrichting:

5.5.1 Aanleggen zonder wind

Om goed aan te leggen roeien we onder een hoek van circa 30 graden in een lichte haal naar het vlot, met de boeg gericht op die plaats waar de stuurplek moet komen te liggen (ongeveer een derde van de punt van het vlot). Met een skiff kan een iets grotere hoek genomen worden, omdat een skiff gemakkelijk bijdraait.

Doorloop daarbij de volgende stappen:

Light paddle… nú – Om met lage snelheid het vlot te naderen. Indien nodig kan ook met spoelhaal geroeid worden.

Laat… lopen - Bij het naderen van de wal (vlot).

Riemen bak-/stuurboord hoog - De bladen aan de aangegeven (vlot) zijde worden van het water gehaald.

Overhellen naar bak-/stuurboord – De roeiers hellen met hun lichaamsgewicht over naar het aangegeven boord (waterzijde) zodat de bladen en de riggers boven het vlot uitkomen.

Houden bak-/stuurboord – Houden aan de waterzijde zodat de boot bijdraait. Eventueel kan met het roer mee- of juist tegengestuurd worden.

Wal grijpen en afhouden – De roeiers pakken de vlotrand beet en houden de boot af om te voorkomen dat de boot tegen het vlot aan schuurt.

Bedankt – De roeiers laten de bladen met de bolle kant naar beneden op het vlot zakken.


5.5.2 Aanlandige wind

Bij aanlandige wind wordt de boot richting het vlot geblazen. Om te voorkomen dat men tegen de kop van het vlot aanwaait heeft men ruimte (desnoods meters) nodig. Stuur daarom onder een kleine hoek (20 graden of desnoods parallel) richting de basis van het vlot, laat op tijd lopen en leg met houden de boot parallel aan het vlot. De wind doet de rest: de boot verlijert totdat hij tegen het vlot ligt.

Bij aanleggen met de wind in de rug kan de vaarsnelheid gauw te hoog worden. Laat in dat geval roeien met een spoelhaal en laat vroegtijdig lopen om brokken te voorkomen.


5.5.3 Aflandige wind

Aanleggen bij aflandige wind (= wind van vlot af) is gewoon moeilijk, zeker als er een stevige wind staat. De boot wordt van het vlot af geblazen, je moet dus de nodige snelheid hebben en op het laatste moment bijsturen om aan het vlot te raken. Het vereist veel concentratie, snel reageren en goede timing. Vertel de bemanning dus dat je tegen de wind in aan gaat leggen zodat ze op scherp staan.

Richt met normale haal de boot onder een hoek van 45 tot 50 graden op de hoek van het vlot. Laat, afhankelijk van de windsterkte op één lengte of minder laten lopen, de riemen aan vlotzijde hoog en vol van het vlot afsturen. Daarna "houden". Bij een juiste timing komt de boot precies naast het vlot te liggen. Laat de roeiers dan gelijk de wal grijpen voordat de boot weer van het vlot af verlijert.


5.5.4 Uitstappen

Bij gestuurde boten stapt de stuur als eerste uit en houdt de boot vast tussen de twee middelste roeiplekken net zoals bij het instappen. De roeiers handelen gelijk op de volgende commando’s:

Kleppen waterzijde los - De dolkleppen worden open gedraaid.

Klaarmaken om uit te stappen - De roei(st)ers maken hun voeten los, pakken de riemen met een hand vast en de boord/vlot met de andere hand. De bladen liggen plat op het water/vlot.

Uitstappen gelijk ... één - De roei(st)ers zetten hun waterzijde voet op het opstapplankje;

...twee – De roei(st)ers gaan op de voet op het opstapplankje staan en de andere voet wordt op de wal geplaatst. Het lichaamsgewicht wordt overgebracht op deze voet;

...drie - De voet op het opstapplankje wordt op de wal gezet. Tegelijkertijd wordt de riem aan de waterzijde meegetrokken uit de dol en op het boord neergelegd.

5.6 Binnenbrengen van de boot

Wanneer een boot veel water bevat, moet het water er eerst uit gehoosd worden. Een C-boot mag in zo'n geval NIET over de kiel op het vlot getrokken worden vanwege de grote kans op het breken van de kielbalk en daarmee van de hele boot. Bij het uittillen loopt het water naar achteren. Als de boeg dan naar beneden wordt gedrukt om de boot op het vlot te krijgen, kan er een breuk ontstaan in de kielbalk, op het scharnierpunt van de kiel met de vlotrand.

Net als bij het inleggen worden gladde boten parallel aan het vlot uit het water gehaald en C-boten via de rol/schuif aan de kop of basis van het vlot. Eerst worden de riemen en andere accessoires opgeborgen, dan worden de luchtkamers en luiken geopend en daarna wordt de boot uit het water gehaald.

Voordat de boot de loods in wordt gebracht, moeten de dollen zijn voorzien van de gele tennisballen, ter bescherming van de huid van andere boten. Boten die op de wiegen op de grond staan hoeven geen tennisballen te hebben.

Bij gladde boten:
Aan de boorden – De roeiers verdelen zich (op lengte) over de boot tussen de duw- en de trekstang en pakken de boordrand en de spant beet met het gezicht richting de boeg.

Tillen gelijk… nú – De boot wordt uit het water getild tot voor de buiken en ieder stapt met de boot van het water af. Hierbij mogen de huid en het vinnetje het vlot niet raken.

Boven de hoofden… nú – De boot wordt boven de hoofden getild.

Uitstappen naar land/zee vanaf boeg… nú – De roei(st)ers stappen om-en-om onder de boot vandaan, de boeg stapt naar de aangegeven kant, de twee naar de andere kant, de drie naar de aangegeven kant enzovoort.

Uitzakken gelijk... nú - Allen laten de boot tussen hen inzakken.

Op de schragen – De boot wordt op twee van tevoren klaargezette schragen gelegd, afgedroogd en de dollen worden dichtgedaan en voorzien van tennisballen.

Nu kan de boot afgedroogd worden, de kleppen vastgemaakt en de tennisballen op de dollen worden aangebracht.

Aan de boorden – De roei(st)ers verdelen zich weer om en om aan bak- en stuurboord.

Tillen gelijk… nú – De boot wordt opgetild.

Boven de hoofden… nú – De boot wordt boven de hoofden getild en de roeiers stappen eronder.

Rechter-/linkerschouder… nú – De roeiers laten het boord aan de genoemde kant zakken zodat de boot schuin komt te liggen. In principe ligt de kiel altijd aan de kant waar de wind vandaan komt.

Uitstappen richting land/zee… nú - Iedereen doet een paar stappen opzij om de schragen te ontwijken.

Naar binnen – De boot wordt naar binnen gedragen.

Inschuiven gelijk – De boot wordt in het rek gelegd. De stuur (die bij het hek van de boot meeloopt) let erop dat de boot niet de riggers van de bovenliggende boot raken. Hij/zij kan hierbij aanwijzingen geven als (boegen) iets lager, schuin houden, door de knieën etc… Als de boot dusdanig hoog ligt dat de trapjes nodig zijn is het handig om de treden mee te tellen.

Bij C-boten:
De boot wordt door de stuurman omgevaren zodat deze bij de rol komt te liggen. Houdt hierbij rekening met eventuele wind. Bij zijwind wordt het hek opzij geblazen, het kan dus handig zijn om deze extra, of juist niet, tegen de wind in te richten zodat bij het uithalen de boot recht komt te liggen.

Aan de boorden - De roei(st)ers stellen zich op aan het einde van het vlot aan weerszijden van de stuurman.

Over de rol… nú - De stuurman trekt de boeg over de rol, de roei(st)ers bij de boeg helpen hem en trekken aan weerskanten aan de boorden de boot over de rol. De roei(st)ers bij het hek zorgen ervoor dat de boot recht op z'n kiel en haaks op de rol blijft staan, zodat de boot niet naast de rol rijdt.

Tillen gelijk… nú - De boot wordt het laatste stuk van de rol getild.

Draaien met de kiel over land/zee ... nú - De boot wordt boven het vlot gedraaid met de kiel over het genoemde punt. Het boord dat het dichts bij het genoemde punt is, wordt bovenlangs over het andere boord gedraaid. Let er daarbij op dat de riggers het vlot niet raken.

Op de schragen... nú  - De boot wordt op twee van tevoren klaargezette schragen gelegd, afgedroogd en de dollen worden dichtgedaan en voorzien van tennisballen.

Aan de boorden – De roei(st)ers verdelen zich weer over de boorden.

Tillen gelijk... nú - De afgedroogde boot wordt van de schragen gelicht.

Uitstappen richting land/zee - Iedereen doet een paar stappen opzij om de schragen te ontwijken.

Naar binnen – De boot wordt naar binnen gedragen.

Inschuiven gelijk – De boot wordt in het rek gelegd. De stuur (die bij het hek van de boot meeloopt) let erop dat de boot niet de riggers van de bovenliggende boot raken.

6. Botentransport

6. Botentransport internetcie

Boten hebben doorgaans veel te lijden van het transport, meestal doordat de boten niet goed geladen worden of door manoeuvreer fouten van de bestuurders. Het laden en het rijden van botenwagens gebeurt door leden die daarvoor zijn opgeleid mede gelet op de verantwoordelijkheid die zij hiervoor dragen. De vereniging organiseert jaarlijks een aparte cursus voor het af- en opriggeren, op- en afladen en rijden van de boten.

6.1 Botenwagens

Daventria heeft twee botenwagens die geschikt zijn voor het vervoer van boten, de Baas Boven Baas en de Boerwage. In onderstaande tabel staan de belangrijkste eigenschappen van de botenwagens gegeven. De Baas Boven Baas is geschikt voor alle boottypen en kan meer boten laden dan de Boerwage.

De Baas Boven Baas is een botenwagen die lastig achteruit te rijden is (alleen voor zeer geoefende rijders). Het is derhalve handiger om voor het manoeuvreren te ontkoppelen en handmatig op zijn plek te zetten. De achterkant van de Baas Boven Baas is inschuifbaar, echter aangezien de voorzijde en achterzijde (in uitgeschoven toestand) middels spanbanden met elkaar verbonden zijn vanwege de stijfheid, mag de Baas Boven Baas NIET ingeschoven worden.

De Boerwage is een lichte botenwagen geschikt voor het vervoeren van de meeste boottypen, behalve voor ongedeelde gladde vieren en achten. De Boerwage is speciaal bedoeld voor het vervoer van een klein aantal boten door bestuurders zonder BE-rijbewijs.

  Baas Boven Baas Boerwage
Type Schamelwagen Eenasser
Ledig gewicht 940 kg 450 kg
Maximum toelaatbaar gewicht 1500 kg 750 kg
Maximum laadvermogen 560 kg 300 kg*
Maximale lengte lading 13,5 m 11 m*
Maximum aantal C4-en 5 2
Geremd Ja Ja
Stekker 13 polig 13 polig
Kentekenbewijs Eigen Geen
Bandenspanning (koud)  3 bar 3 bar

* niet geschikt voor gladde vieren en (gedeelde) achten

Beide botenwagens staan op het terrein van de jachthaven, het “Jollenveld”. De botenwagens staan direct links van het hek in schuine positie. Ten opzichte van het schuifhek staat eerst de Boerwage daarnaast de Baas Boven Baas. De botenwagens zijn voorzien van een disselslot. Een geladen botenwagen mag ‘s nachts niet op de parkeerplaats blijven staan, wel op het Jollenveld. Op het Jollenveld mogen geen auto’s komen, de botenwagens dienen derhalve handmatig naar binnen geduwd te worden.


6.2 Reserveren van de botenwagen

De botenwagens kunnen gereserveerd worden via de botenwagen commissie (bowacie@daventria.com). De botenwagencommissie zal vervolgens contact opnemen om te inventariseren welke botenwagen nodig is en om afspraken te maken over het ophalen en terugbrengen van de botenwagen. Als de bestuurder voor de eerste keer komt, krijgt de bestuurder een uitleg over het gebruik van de botenwagen, de plaats waar de sleutels liggen, codes van het slot en het terugplaatsen van de botenwagens.

Toewijzing van de botenwagens geschiet door de botenwagen commissie, waarbij in onderling overleg  gezocht wordt naar de meest optimale verdeling.

6.3 Op- en afriggeren van boten

Voordat boten worden opgeladen worden de drukstangen, riggers, bankjes en eventueel het stuurstoeltje verwijderd. De kleppen van de luchtkamers worden gesloten en de impellers worden afgeplakt.

Voor het verwijderen van de riggers en drukstangen is een sleuteltje 10 / 13 nodig. Begin altijd met het losmaken van de drukstang. De bouten en moeren worden weer op de boot de boot gedraaid en licht vastgedraaid om lostrillen te voorkomen. Losse potjes om moeren te vervoeren hebben de neiging zoek te raken. Uitzonderingen zijn de Karpe Diem en de Pluck den Dag. Deze boten hebben aparte bouten voor de scull en boordriggers, derhalve blijven de bouten aan de riggers. Let bij het afnemen van de drukstang op de flenzen, deze zijn zwak en breken snel. De riggers en drukstangen worden zo goed mogelijk gemerkt en samengebonden.

De bankjes dienen altijd los vervoerd te worden omdat ze anders gaan stuiteren en de wieltjes en slidings kapot gaan. De bankjes dienen behoedzaam uitgenomen te worden (niet door de stopjes heen timmeren) en worden bij voorkeur rechtop in een apart kratje vervoerd. Indien dit niet kan dan samenbinden en voorzien van bootnaam en roeiplek.

6.4 Op- en afladen van boten

De meeste boten worden opgeladen met de boegbal naar voren. Een uitzondering zijn de gladde vieren. Omdat de boeg langer dan de achtersteven heeft het de voorkeur deze met de boegbal naar achteren te vervoeren. De gladde vieren worden bij voorkeur zo hoog mogelijk geplaatst op de botenwagen. De boten mogen wettelijk maximaal een meter uitsteken na het laatste, vaste (uitschuif)deel van de botenwagen.

Boten dienen op het boord te liggen, voor skiffs zijn zadeltjes beschikbaar waar de taft op kan rusten. Boten worden met twee spanbanden vastgelegd op de plek waar het boord op de dwarsligger rust. Daarnaast worden de boten met een remtouw geborgd.

Bijgaande schema's van de Baas Boven Baas en Boerwage laten zien op welke wijze boten op de beste wijze op de botenwagens geladen worden.



6.5 Rijden

Het rijden van een botenwagen vraagt oefening en vaardigheid en de ervaring leert dat het rijden met een botenwagen niet voor iedereen is weggelegd. Indien de bestuurder geen ervaring heeft met het rijden van zware en lange aanhangers is het verstandig om eerst in overleg te gaan met de botenwagencommissie.

6.5.1 Wettelijke richtlijnen

Om met de botenwagens te mogen rijden zijn er bepaalde wettelijke richtlijnen. Deze richtlijnen zijn afhankelijk van een aantal technische aspecten van auto en aanhangwagen.

In zijn algemeenheid mag een aanhangwagen met een B-rijbewijs gereden worden indien:

  • Het maximaal toelaatbare gewicht van de aanhangwagen maximaal 750kg bedraagt;
  • Het maximaal toelaatbare gewicht van de aanhangwagen meer dan 750kg bedraagt, maar het maximaal toelaatbare gewicht van de totale combinatie (auto en aanhangwagen) niet meer dan 3.500kg bedraagt.
  • Indien de combinatie niet aan deze eisen voldoet is een BE-rijbewijs noodzakelijk.

De Boerwage mag dus altijd met een B-rijbewijs gereden worden (maximaal toelaatbaar gewicht 750kg). De Baas Boven Baas mag alleen met een B-rijbewijs gereden worden indien het maximum toelaatbare gewicht van de auto niet meer dan 2.000 kg bedraagt.

Houdt er ook rekening mee dat de massa van de aanhangwagen en belading niet het maximum trekgewicht (geremd) overstijgt.

Met de onderstaande tabel kan de bestuurder berekenen welke boten hij mee kan nemen en tot welk gewicht hij / zij kan laden.

Boottype Lengte Breedte Hoogte Gewicht
Skiff 8,5 0,3 0,4 15 kg
Twee 10,0 0,4 0,4 25 kg
Vier  12,5 0,5 0,5 50 kg
Acht 18,0 0,6 0,5 100 kg
C2 9,0 0,7 0,5 40 kg
C4 11,0 0,8 0,5 85 kg


6.5.2 Aansprakelijkheid

De bestuurder is gedurende het gebruik van de botenwagen te allen tijde verantwoordelijk voor de wagen en zijn lading, het opladen en afladen en het deugdelijk vastzetten van de boten. Tevens raden wij de bestuurder dringend aan om te zorgen voor een bijrijder die kan helpen bij het manoeuvreren met de botenwagen, met name bij de Baas Boven Baas.

De aanhangers zijn verzekerd tegen diefstal. De wettelijke aansprakelijkheid is verzekerd via de verplichte WA-verzekering van het trekkende voertuig van de bestuurder. Schade die door schuld van de bestuurder aan de aanhanger ontstaat, is niet door Daventria verzekerd. In voorkomende gevallen zal de schade op de (verzekering van de) bestuurder verhaald worden.

De krik, spanbanden, zadeltjes, dekzeilen, disselsloten, verloopstekkers en een kopie kentekenbewijs (alleen Baas Boven Baas) die horen bij de botenwagen worden compleet gehouden door de bestuurder. De bestuurder die de botenwagen aanvraagt is verantwoordelijk voor het schadevrij inleveren van de botenwagen met alle toebehoren. Het komt geregeld voor dat er schades ontstaan of vermissingen zijn aan de botenwagens. Let goed op het aantal hangschragen wat meegaat. Ze worden vaak geleend door andere ploegen als je zelf op het water bent, remedie is ze in de bowa terugleggen tijdens wedstrijd. Geef schades en vermissingen ALTIJD door bowacie@daventria.com zodat de reparatie kan worden uitgevoerd.

Er is tevens een checklist beschikbaar met toebehoren die in de botenwagen horen te liggen.

6.5.3 Vergoeding

De bestuurders van de botenwagen mogen € 0,35 per kilometer voor de Baas boven Baas en € 0,20 per kilometer voor de Boerwage declareren bij de penningmeester, tot aan de grens van Nederland. Voor gereden kilometers in het buitenland krijgen de bestuurders geen vergoeding.

Voor privégebruik (bijvoorbeeld eigen toertocht of een vakantiereis) geldt een vergoeding van € 35,00 per dag tot een maximum van  € 150,00 per week.

Snelheidsovertredingen en overtredingen die het gevolg zijn van het afwijken van de regels voor normaal weggebruik, komen voor rekening van de bestuurder van het voertuig die de botenwagen trekt. De maximum snelheid voor het rijden met een aanhanger is 90 km per uur.

7. Veiligheid

7. Veiligheid internetcie

Als je je aan een aantal 'spelregels' houdt, is roeien een relatief ongevaarlijke sport. Een absolute voorwaarde hiervoor is wel dat elke roeier en stuurman/-vrouw kan zwemmen. Immers, elke boot kan vollopen, zinken of omslaan.

7.1 Vaarreglement

Roeiers maken gebruik van vaarwegen. Iedere gebruiker van een vaarweg moet de nodige voorzorgsmaatregelen nemen om de goede orde en veiligheid op het water te waarborgen. Daarom is het van groot belang de vaarreglementen te kennen.

Voor de Nederlandse vaarwateren geldt een aantal vaarreglementen. Voor ons is het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) de belangrijkste. Het is een soort wetboek dat regels geeft waaraan de scheepvaart zicht dient te houden.

Het BPR geldt voor alle wateren in Nederland die voor de scheepvaart open staan, echter met uitzondering van: Bovenrijn, Waal, Pannerdens Kanaal, Nederrijn, Lek, Westerschelde, Kanaal Gent naar Terneuzen, Dollard, Eems en Grensmaas. Het BPR geldt dus wel op de Gelderse IJssel, ons ‘eigen’ vaarwater.

De leden met de IJsselbevoegdheid roeien en sturen worden geacht kennis genomen te hebben van het BPR.

7.2 Praktische roeiregels

Een aantal praktische regels voor het roeien:

  • Stap alleen in een boot waarvoor je de bevoegdheid hebt; Schrijf de boot af, en houdt rekening met de bloktijden;
  • Zorg dat er voldoende mensen met (IJssel)bevoegdheid in de boot zitten, let ook op de stuurbevoegdheid;
  • Ga zorgvuldig met het materiaal om (let vooral op correct in- en uittillen);
  • Gebruik de zwemvesten (in de kast);
  • Als er schade is, meld deze dan direct in het schadeboek op Mijn Daventria

7.3 Blessures

Blessures worden veelal veroorzaakt door een slechte techniek. Al dan niet in combinatie met onvoldoende kleding in de winter. De roeitechniek staat beschreven in hoofdstuk 4. Als je het reguliere opleidingstraject doorloopt én je wilt gecoacht worden (= open staan voor op- en aanmerkingen op je techniek), dan kun je gemakkelijk technisch goed leren roeien op het niveau dat je blessure vrij blijft.

7.4 Kleding

Met goede (roei)kleding kun je prima roeien in de winter. Het blijft elke keer weer verbazingwekkend dat mensen in najaar en winter gaan roeien in 'zomer' kledij (t-shirt, korte broek, blote rug, geen extra trui). Waarom kleden mensen zich met hardlopen en schaatsen wel op koude omstandigheden en met roeien niet? Met goede kleding voorkom je blessures.

Wat heb je in de winter aan in de boot? Door meerdere lagen te dragen kun je ten allen tijde je kleding aanpassen aan de weersomstandigheden. Trek bijvoorbeeld een lang thermosshirt (rug bedekt!) aan met daarover een t-shirt, een trui en een windjack. Let er vooral op dat je polsen goed zijn bedekt in verband met een blessures (de peesschede blessure). Als het erg koud is kun je een muts opzetten.

Je handen kun je tegen de kou beschermen door te roeien met zogenaamde pogies. Deze zijn het beste te vergelijken met handschoenen met een gat aan de zijkant, waardoor de pogie over de hendel van de riem heen geschoven kan worden: handen en hendel zitten dan ingepakt. Het voordeel van pogies is niet alleen het warm houden van de vingers, maar ook het bedekken van de polsen (ter voorkoming van de peesschede blessure). Speciale roeikleding en pogies zijn te koop bij speciaalzaken of te bestellen via onze website.

De zichtbaarheid op het water van een roeier met donkere kleding valt heel snel weg tegen de spiegeling van het wateroppervlakte, waardoor een roeier nauwelijks meer zichtbaar is met alle mogelijke gevolgen vandien. Iedere roeier is het verplicht een goed zichtbaar, fel gekleurd, liefst fluorescerend, boventenue te dragen. Het maakt hierbij niet uit of er geroeid wordt op de IJssel of de Hank, in beide gevallen is zichtbaarheid van belang.

7.5 Zwemvest

Stuurlieden zijn meestal warm (en daardoor dus) zwaar gekleed en zwemmen zal daardoor lastig zijn. Om deze reden zijn stuurlieden verplicht in de wintermaanden d.w.z. van 1 november t/m 31 maart een zwemvest te dragen.

Van tijd tot tijd laait de discussie op of ook de roeiers een zwemvest zouden moeten dragen. Bij hoog water is de wal een heel eind weg en in dat geval beperkt de sterke stroom de mogelijkheden om tijdig (zwemmend) naar de wal te komen. Aangezien er aan het dragen van een zwemvest ook nadelen zitten (beperkte bewegingsvrijheid, haken achter uitsteeksels) heeft het bestuur besloten de roeiers in de keuze wel/geen zwemvest vrij te laten.

7.6 Vaarverbod

Onder het motto 'Veiligheid voor roeier en materiaal gaat voor alles' mag er niet geroeid worden bij/als:

  • Hoogwater (zie hieronder);
    • > 4,85 meter boven NAP: roeiverbod IJssel, alle leden, alle boten, op zowel de IJssel als de Hank.
  • Mist ("Diekhuus" aan de overzijde van de IJssel niet zichtbaar);
  • Harde (ruk-)wind (vuistregel schuimkoppen op het water);
  • Vorst (<0 ºC uitsluitend volgens de website/thermometer in botenhuis);
  • IJs(gang), al dan niet los drijvend ijs op de IJssel en in de Hank.;
  • (naderend) onweer;
  • Zonsondergang tot zonsopgang;
  • Bij een watertemperatuur onder de 10 graden Celsius geldt een totaal skiff-/tweezonderverbod voor 3e klas roeiers en 2e klas boordroeiers. 1e en  2e klasroeiers (uitgezonderd  2e klas boord) kunnen dispensatie van het bestuur krijgen, mits ze een verklaring op de website ondertekenen;
  • Als het bord met 'Roeiverbod' buiten geplaatst is door of namens het bestuur.

Het moge duidelijk zijn: bovenstaande regels verschaffen je niet de legitimiteit om onverantwoord om te gaan met jezelf, je collegaroeiers en het materiaal. Gebruik je gezond verstand en anticipeer zo veel als mogelijk is op de (weers)omstandigheden.

7.6.1 Hoogwater

Bij een waterstand van de IJssel in Deventer van 4,80 meter boven NAP wordt extra alertheid gevraagd in verband met een slechtere bereikbaarheid van het botenhuis, een sterkere stroming, veelal veel zwaar drijfhout in het water en slecht zicht op veranderde oevers in de vorm van ondergelopen weilanden (inclusief afrastering met prikkeldraad).

Bij 4,85 meter geldt een roeiverbod voor de IJssel en de Hank. De 4.85m grens komt vrijwel overeen met de hoogte van de zomerdijk. Is de waterstand van de IJssel hoger dan 4.85m boven NAP, dan is het te gevaarlijk om te roeien: omdat de zomerdijk onder water staat, kun je jezelf niet in veiligheid brengen op de zomerdijk als je onverhoopt omslaat of je boot vol loopt. Andere redenen zijn: in het algemeen koud water, harde stroming, veelal veel zwaar drijfhout in het water en slecht zicht op veranderde oevers in de vorm van ondergelopen weilanden (inclusief afrastering met prikkeldraad).

De grens van 4,85 m boven NAP betekent niet automatisch dat er bij 4.84 m boven NAP wel geroeid mag worden. Stijgend water levert immers een andere situatie op dan zakkend water. Zo zal er bij een waterstand van 4.70 m boven NAP zeer waarschijnlijk nog altijd veel zwaar drijfhout voorbij stromen, met alle gevaren van dien. Als globale indicatie is de 4,85 m grens echter prima om vast te stellen of het wel/niet zinvol is om je op de Roei persoonlijk van de situatie op de hoogte te stellen en te constateren of er een roeiverbod is afgekondigd dan wel is opgeheven.

Op onze website (www.daventria.com/weer) kun je informatie vinden over de actuele waterhoogte van de IJssel bij Deventer.

7.6.2 Roeien in skiff en in 2- in najaar en winter

Skiffen en roeien in de 2- brengt in de winter meer gevaar met zich mee dan roeien in C-materiaal of in andere gladde boten. De kans op omslaan in de skiff en 2- is aanzienlijk groter dan in C-materiaal of in een 2x, 4x/4+ of 8+. Bij omslaan dreigt onderkoeling voor de roeier, met alle kansen op overlijden van dien. Voor roeien in de winter bestaan geen KNRB-richtlijnen.

Elk jaar geldt bij een watertemperatuur onder de 10 graden Celsius een totaal vaarverbod voor 2e klas en lager bevoegde roeiers in de skiff en de tweezonder. Dit vaarverbod geldt zowel voor de Zandweerdhaven als de IJssel. Eersteklas roeiers, die bijvoorbeeld in de winter trainen voor wedstrijden, bijv. de Hel van het Noorden, Winterwedstrijden of de Skiffhead, kunnen dispensatie aanvragen bij het bestuur op basis van een ondertekende verklaring. Deze verklaring wordt jaarlijks gepubliceerd op Mijn Daventria.

De watertemperatuur van 10 graden Celsius, die het bestuur hanteert als grens, is gebaseerd op de gegevens over onderkoeling van de Koninklijke Nederlandse Reddingsmaatschappij (bron: www.knrm.nl). Het bestuur gaat er vanuit dat de watertemperatuur van de IJssel gelijk is aan de watertemperatuur van de Rijn. Op de website van Daventria is een link gelegd naar een website (waterinfo.rws.nl) die inzicht geeft in onder meer de watertemperatuur van de Rijn bij Driel. Deze watertemperatuur is maatgevend voor het bestuur van Daventria met betrekking tot wel/niet roeien in de skiff en de tweezonder in de winter.

De KNRM geeft op haar site het volgende aan over overlevingskansen in water: “Er is geen enkele wetmatigheid wat betreft de overlevingskansen in water. Onderstaande tabel is een zeer ruwe schatting. De werkelijke tijd hangt af van veel factoren zoals lichaamsbouw, hoeveelheid onderhuids vet, gebruik van alcohol of medicijnen, kleding, geslacht, windsnelheid, lichamelijke en geestelijke conditie.”

Tabel: overlevingstijd bij te water geraken in wetsuit, gekleed of in zwemkleding.

Watertemperatuur (graden Celsius) wetsuit gekleed zwemkleding
0 15 minuten 9 minuten 2 minuten
5 3 uur 1 uur 30 minuten
10 9 uur 3 uur 1 uur
15 12 uur 5 uur 2 uur
20 15 uur 8 uur 4 uur

Bovenstaande tabel laat zien dat die iemand die bij een watertemperatuur van 5 graden Celsius gekleed in het water valt, een overlevingstijd heeft van 1 uur; in badkleding een half uur. Bij een watertemperatuur van 10 graden Celsius is dit resp. 3 uur en 1 uur. Bovenstaande tabel van de KNRM is gebaseerd op “stilliggen en jezelf zo klein mogelijk maken”, dus ruim binnen de aangegeven tijd moet je op de kant staan. Roeikleding zit waarschijnlijk ergens tussen “badkleding” en “gekleed” in.

7.7 Veiligheidsvoorzieningen

In de botenloods, de werkplaats en de Salon zijn verschillende veiligheidsvoorzieningen aangebracht. Zo liggen er in ieder geval in de keuken, in de loods en in de werkplaats een EHBO kisten. Tevens hangen er onderaan de trap in de botenloods een isolatiedeken en een automatische externe defibrillator, oftewel een AED apparaat. Jaarlijks wordt er een cursus defibrillatie en reanimatie voor de leden van Daventria georganiseerd om te leren om te gaan met het AED apparaat.

Tenslotte is er binnen de verenging een veiligheidscoördinator aangesteld. Voor vragen en of opmerkingen over de veiligheid tijdens het roeien (op de IJssel), of binnen de vereniging kun je contact met hem/haar opnemen. De contactgegevens van de veiligheidscoördinator zijn terug te vinden op de website van Daventria: www.daventria.com.

Index

Index internetcie